Journalist Koen Voskuil was verheugd toen de minister van Justitie in november 2007 aankondigde het verschoningsrecht voor journalisten in de wet te willen vastleggen. Zijn gijzeling in 2000 en de nasleep ervan waren de aanleiding voor het voornemen van de minister. Nu zegt hij: “Aan het wetsvoorstel moet nog wel het een en ander geschaafd worden.”
“Wateroverlast was alibi voor wapenvondst in zaak-Mink K.” kopte Sp!ts op 13 september 2000. Het officiële verhaal was dat de politie bij toeval wapens in het huis van Mink K. had gevonden nadat agenten de woning waren binnengekomen vanwege een lekkage. In het betreffende Sp!ts- artikel onthullen Koen Voskuil en Jamila Saoud dat een anonieme politieagent hen heeft verteld dat de lekkage een opzetje van de politie was geweest om de woning binnen te kunnen gaan om zodoende bewijsmateriaal tegen Mink K. te kunnen onderscheppen.
Tijdens de rechtzaak tegen Mink K. enkele dagen later, weigert Voskuil de bron van zijn verhaal te noemen. Het hof besluit hem te gijzelen om hem zo te dwingen zijn bron bekend te maken zodat vastgesteld kan worden of de bewijzen tegen Mink K. rechtmatig zijn verkregen. Het hof meent dat de integriteit van politie en justitie in het geding is als het Sp!ts-artikel zou kloppen. Pas 18 dagen komt de journalist weer vrij omdat het hof meent dat het artikel niet geloowaardig is.
Voskuil en de Nederlandse Vereniging van Journalisten stappen vervolgens naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om een principiële uitspraak te krijgen over het gijzelen van journalisten. In november 2007 volgt die uitspraak: Voskuil is ten onrechte gegijzeld. Volgens het hof is de bescherming van journalistieke bronnen een van de basisvoorwaarden voor de vrijheid van de pers.
Deze uitspraak is voor de minister van Justitie het sein om het recht op bronbescherming in de Nederlandse wet vast te leggen. Volgens het wetsvoorstel mogen journalisten – onder bepaalde voorwaarden - hun bronnen geheimhouden.
Is Koen Voskuil, tegenwoordig werkzaam bij Revu, tevreden met het wetsvoorstel zoals het er nu ligt?
“Eerlijk gezegd ben ik er nog niet helemaal uit of dit wetsvoorstel een verbetering is ten opzichte van de huidige Europese regelgeving. Bemoeienis van de rechter over hoe journalisten hun werk moeten doen zie ik niet zitten, dus die bepaling over beroepsethiek had er van mij niet in gehoeven.”
“Maar een andere bepaling baart me grotere zorgen, namelijk dat staatsveiligheid een reden kan zijn om het brongeheim op te heffen. Staatsveiligheid is nogal een ruim begrip. In mijn zaak heeft de rechter zich ook beroepen op de staatsveiligheid: ‘Voskuil bekritiseert justitie, dit ondermijnt de rechtsgang, en daarmee is de staatsveiligheid in het geding.’ Een dergelijke u-bochtconstructie lijkt me dus nog steeds mogelijk, ook met de Nederlandse wet in de huidige vorm. Ik hoop kortom dat er nog het een en ander aan geschaafd gaat worden.”
Je denkt dus dat ook met deze wet jij zou zijn gegijzeld in die zaak uit 2000?
“Ja, dat klopt. Als de rechter kwaad wil, dan kan hij die staatsveiligheid er vrij makkelijk bij slepen, is mijn mening.”
Alexander, wat goed om Koen Voskuil even naar zijn reactie te vragen. Prima journalistieke reflex. Maar die staatsveiligheid is natuurlijk al het belangrijkste criterium in art 10 lid 2 van het EVRM. Daar is niets nieuws aan in de Nederlandse wet. Uiteindelijk gaat het telkens weer om de interpretatie die de Nederlandse rechter eraan geeft. En dat is precies waarom ik aarzelend en zelf sceptisch naar het Nederlandse wetsvoorstel kijk. Het schaadt niet, maar baat het ook?
Wat dat betreft is de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dus belangrijker geweest dan deze nieuwe wet. Want in die uitspraak werd gesteld dat in de zaak Voskuil de Nederlandse rechter ten onrecht het argument van staatsveiligheid heeft gebruikt. Wat dat betreft heeft Koen Voskuil dus gelijk dat deze wet geen enkele garantie biedt dat een rechter dit argument weer oneigenlijk zal gaan gebruiken.