“Journalisten én bloggers krijgen verschoningsrecht” (Webwereld). “Bronbescherming voor journalist én weblogger” (Trouw). “Bronbescherming voor blogger” (De Telegraaf).

Gister publiceerde het minsterie van Justitie het wetsvoorstel waarin minister Hirsch Ballin bronbescherming voor journalisten regelt. Als je de mediaberichten hierover leest krijg je al snel de indruk dat in het wetsvoorstel ook is vastgelegd dat bloggers (en andere publicisten) bronbescherming krijgen.

Dat is volgens mij wat te kort door de bocht. Bloggers kunnen inderdaad aanspraak maken op het verschoningsrecht, maar daar is een belangrijke voorwaarde aan verbonden: ze moeten zich hebben gehouden aan de beroepsethische normen van de journalistiek, zoals hoor-wederhoor, checken van feiten, etc. Hebben ze zich niet gehouden aan die journalistieke principes, dan vallen ze niet onder het wetsartikel. Dat is althans wat ik gister concludeerde na het bestuderen van het wetsvoorstel.

Om te checken of dit klopt heb ik navraag gedaan bij Thomas Bruning, algemeen secretaris van de Nederlandse Vereniging van Journalisten. Hij erkent dat er inderdaad een voorbehoud wordt gemaakt in het wetsartikel: “Op het punt van een beperking in de definiëring heb je deels gelijk. Wij hadden de referentie naar de beroepsethische normen er niet in gewild, want niet relevant. Ik houd me eraan vast dat ‘doorslaggevend is of de publicatie of uiting bedoeld is om in het publieke debat een rol te spelen en of met de berichtgeving openbaarmaking in ruimere kring is beoogd.’ Dat een rechter ook kan kijken naar beroepsethische normen zie ik als een onnodige en ongelukkige toevoeging en in dit verband niet relevant.”

De voorwaarde dat je je moet hebben gehouden aan de beroepsethische normen van de journalistiek om aanspraak te kunnen maken op bronbescherming, staat dus wel degelijk in het wetsvoorstel. Of de rechter die voorwaarde straks echt gaat hanteren valt volgens Bruning te bezien: “Nogmaals, omdat de hoofdregel in het voorstel vrij duidelijk wijst op “publicatie of uiting bedoeld op openbaarmaking”, zie ik dit punt niet als grootste struikelblok of tekortkoming in de wet.”

Mocht een rechter straks toch willen nagaan of iemand zich terecht op het verschoningsrecht beroept dan zal hij moeten beoordelen of de betreffende persoon zich heeft gehouden aan de beroepsethische normen van de journalistiek. Maar wat die precies inhouden staat niet in de wet vermeld.

Wel staat erin dat de rechter dan een ‘vertegenwoordiger’ van de beroepsgroep kan laten opdraven als deskundige om te adviseren over de vraag of de beroepsethische normen in acht zijn genomen. Ik vraag me af wie die ‘vertegenwoordiger’ zal willen zijn. En of dat nut heeft. Want stel je eens voor: een vertegenwoordiger van de beroepsgroep gaat beoordelen of een collega zijn werk wel goed heeft gedaan. En zo niet, dan wordt zijn collega gegijzeld om het openbaren van zijn bronnen af te dwingen. Ik geloof niet dat iemand uit de journalistieke beroepsgroep daaraan gaat meewerken.