Tag: beroepscode

Richtlijnen voor gebruik van materiaal van sociale media: dat kan simpeler

Onlangs ontstond in België is een fel debat over de mediaberichtgeving over het busongeluk in Zwitserland waarbij Belgische en Nederlandse schoolkinderen omkwamen. Een van de zaken waarover menigeen zich boos maakt was de publicatie van foto’s van omgekomen kinderen op de voorpagina’s van enkele Belgische kranten. Foto’s die afkomstig waren van blogs en sociale media.

Door de kritiek voelde de Belgische Raad voor de Journalistiek zich geroepen om speciale richtlijnen in het leven te roepen. Deze zouden duidelijk moeten maken hoe journalisten om horen te gaan met informatie en beelden die zijn te vinden op persoonlijke websites en sociale media. Handig zou je zeggen, want dan kan je even snel opzoeken wat je voortaan moet doen als je een fotootje van Facebook wilt gebruiken. Read more →

Bloggers willen ethische code

De mensheid blogt er tegenwoordig lustig op los. Over journalistiek, maar ook over huisdieren, kinderen, vakanties, het laatste nieuws en noem maar op. Iedereen kan het en lijkt het ook te doen. Wordt het niet eens tijd om die online spaghetti wat te reguleren? Met bijvoorbeeld een code voor bloggers? Onderzoekers legden die vraag voor aan de bloggemeenschap en wat bleek: de meeste bloggers willen een ethische code. Read more →

Startpunt voor discussie


Hoera! De Nederlandse journalistiek is weer een gedragscode rijker. Vrijdag 18 april stemde het Genootschap van Hoofredacteuren in met een nieuwe code. Een code die rekening houdt met de mores op internet, maar, zo benadrukt het Genootschap, op geen enkele wijze bindend is en waaraan geen sancties zijn verbonden. Wat het nut dan is? Volgens Arendo Joustra, voorzitter van het Genootschap, moet de code de aanzet geven tot discussies over journalistiek gedrag. De vraag is natuurlijk hoe, want toen het Genootschap in december de concept-code naar buiten bracht om te debateren over de inhoud, ontstond er verdomd weinig discussie. Wat niet zo verwonderlijk is, want debateren over algemene regels is een nogal abstracte bezigheid.

En was er niet al een code? Jawel, deze week precies een jaar geleden bracht de Raad voor de Jouralistiek er een uit. Deze code gebruikt de Raad als leidraad voor het beoordelen van klachten over journalistieke producties. De uiteindelijke oordelen verschijnen in De Journalist. Maar ook die leveren verdomd weinig discussie op. En dat is verdomd jammer. Want juist de uitspraken van de Raad lenen zich bij uitstek voor gerichte discussies over journalistieke gedragingen.

Laten we daarom voortaan de uitspraken van de Raad niet zien als eindoordeel, maar juist als startpunt voor discussie over journalistieke werkwijzen. Op die manier kan er een stuk meer transparantie komen over het denken en doen van journalisten.

Een sta-in-de-weg is vooralsnog het ambtelijk jargon waarin de uitspraken van de Raad zijn verwoord: dat nodigt niet uit tot lezen en evenmin tot discussie. Daarom zouden in vakpublicaties als De Journalist en De Nieuwe Reporter over interessante zaken goed geschreven journalistieke artikelen moeten verschijnen waarin de Raad aan de tand wordt gevoeld over de gemaakte afwegingen en ook andere betrokken partijen aan het woord komen. Dergelijke artikelen geven pas echt een aanzet tot discussies over journalistiek gedrag. Bovendien zou het van de Raad voor de Journalistiek ook wat meer maken dan slechts een klachtenloket.

Dit stuk is deze week als gastcolumn verschenen in De Journalist.

Het heet ‘zelfregulering’, maar journalisten zelf doen weinig

Minister Plasterk had in zijn uitnodigingsbrief uitdrukkelijk vermeld dat het de bedoeling was dat journalisten zelf aanwezig zouden zijn. Daarom had hij de uitnodiging ook gestuurd naar redacties van kranten, actualiteitenrubrieken en journaals. Maar wie op 7 februari tijdens de werkconferentie van het ministerie over ‘journalistiek en zelfregulering’ om zich heen keek, zag bar weinig journalisten. Wel wetenschappers en hogere machten uit de journalistieke wereld, zoals afgevaardigden van het Genootschap van Hoofdredacteuren, de Raad voor de Journalistiek en de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Het is typerend voor een debat over zelfregulering in de journalistiek. Het heet zelfregulering, maar de journalisten zelf doen weinig; de voorstellen en maatregelen worden over hun hoofden uitgestrooid.

Dat journalisten zelf weinig in te brengen hebben komt goed tot uiting in twee vormen van ‘zelfregulering’ die vanmiddag de revue passeren:

1. Er is een Raad voor de Journalistiek die mensen ter verantwoording roept die zelf menen dat ze geen journalist zijn. Dat is natuurlijk een kolderieke situatie:

Raad: U moet verschijnen voor de Raad voor de Journalistiek.
Vermeende journalist: Maar ik ben geen journalist.
Raad: Volgens ons wel.
Vermeende journalist: Vreemd.
Raad: En u moet zich verantwoorden want u hebt de journalistieke regels overtreden.
Vermeende journalist: Dat kan kloppen, want ik ben geen journalist…

2. Er is een wetenschappelijke nieuwsmonitor die de mediaberichtgeving onderzoekt zonder te luisteren naar journalisten. Dat wil zeggen, zonder ze te vragen hoe berichtgeving tot stand is gekomen en waarom dat op die manier is gegaan. Die methodiek levert weliswaar volop stof op voor het bekritiseren van de media, maar geeft weinig inzicht in de beweegredenen en werkwijzen van journalisten.

‘Zelfregulering’ is bij de twee genoemde punten wellicht het verkeerde woord. Het centrale kenmerk van zelfregulering is namelijk dat het initiatief uitgaat van de betrokkenen zelf. In dit geval de journalisten zelf. Om tot zinnige zelfregulering te komen moet je eigenlijk voldoen aan twee voorwaarden:

1. Niks van bovenaf opleggen, dat leidt alleen maar tot contraproductieve reacties, zoals ‘wij laten ons niet muilkorven’.

2. Het initiatief moet uitgaan van journalisten.

Die uitgangspunten hebben een keerzijde: het vergt een journalistiek die trots is, trots op de verantwoordelijke functie die ze vervult in de samenleving. En ook wil laten zien aan de buitenwereld dat ze haar best doet om die functie zo goed mogelijk te vervullen en daarbij bepaalde normen hanteert.

Een discussie over de maatschappelijke functie van de journalistiek en de normen die horen bij een goede uitoefening van die functie zou vooral door journalisten moeten worden gevoerd, en niet door wetenschappers, adviesorganen en hotemetoten. Hoewel die best eens een goede aanzet of aanvulling kunnen geven in zo’n discussie.

Inmiddels is een poging tot zo’n discussie geïnitieerd door Henk Blanken en Bart Brouwers met een conceptcode die ze voor het Genootschap van Hoofdredacteuren hebben opgesteld. Helaas is er tot heden geen inhoudelijk discussie tussen journalisten over de inhoud van die code ontstaan. Wellicht doordat veel journalisten het nut van zo’n code ontgaat. Ik denk dat zo’n code kan bijdragen aan de herkenbaarheid van goede journalistiek. Er wordt tegenwoordig veel gepubliceerd, maar wat komt uit handen van betrouwbare journalisten? Journalisten die de feiten controleren, zich verdiepen in een kwestie, wederhoor toepassen, etc. Kortom, journalisten die journalistieke normen hanteren. Een code waarin die normen zijn terug te vinden kan daaraan bijdragen.

Maar een code alleen is niet genoeg. Die verdwijnt al te gauw weer in een stoffige dossierkast of in een verloren hoekje van het miljoenhoekige wereldwijde web. Trotse journalisten die willen zorgen voor betrouwbare journalistiek zouden dat moeten laten zien aan de buitenwacht. Op een of andere manier zouden mensen moeten kunnen zien dat een publicatie van een journalist komt en niet van een of andere knakker die geen journalistieke aspiraties koestert. Zijn er wellicht journalisten met een goed idee?

Op 9 februari ook verschenen op De Nieuwe Reporter

Niemand vraagt het publiek wat

“In België zijn er gek genoeg twee journalistieke codes”, onthulde Flip Voets, secretaris van de Belgische Raad voor de Journalistiek afgelopen vrijdag tijdens een symposium aan de Universiteit van Amsterdam over codes en keurmerken in de journalistiek. Klinkt gek inderdaad, maar ook in Nederland hebben we twee journalistieke codes: de leidraad van de Raad voor de Journalistiek en de code van het Genootschap van Hoofdredacteuren. De laatste is toe aan vernieuwing en daarom is een nieuwe conceptcode opgesteld waarover momenteel gedebateerd wordt. Over het algemeen zijn de reacties op deze code positief, zo viel ook tijdens het symposium te beluisteren. Met name de liberale invulling van ‘de journalist’ spreekt tot de verbeelding: Een journalist is iemand die zich journalist noemt.

Dat ‘liberale’ is essentieel voor journalisten. Uit de monden van de aanwezige journalisten viel op te tekenen dat de journalistiek niet ingeperkt moet worden met registers, verplichte codes en keurmerken. Elk medium heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en verder doet de concurrentie zijn werk: media controleren elkaar en als ze de mist in gaan wordt dat snel genoeg bekend. Een code is best nuttig, maar dan vooral om te discussieren over journalistieke verantwoordelijkheid, en niet als beklemmend wetboek waarmee de media terecht kunnen worden gewezen.

Hoewel journalisten er niet om te staan te springen, komen er desondanks regelmatig ideeën om de journalistiek te reguleren. Onder meer met het idee om de journalistiek betrouwbaarder te maken. Gek genoeg is nooit aan het publiek gevraagd hoe zij daarover denken. Wat vinden lezers, luisteraars en kijkers van journalistieke codes? Of van redactiestatuten? Willen ze weten welke journalistiek-ethische uitgangspunten een redactie hanteert? Wat vinden ze van de Raad voor de Journalistiek? Kennen ze die instantie überhaupt? Op welke manier kan volgens hun de journalistiek beter of betrouwbaarder worden? Het zou interessant zijn om dat eens te onderzoeken. Wie weet wat voor verhelderende inzichten dat oplevert.