Tag: internet (page 3 of 4)

“Elke journalist een eigen tv-kanaal”

Sinds vorige maand is Nederland een televisiezender rijker: Wannano.tv. Ben je de zender tijdens het zappen nog niet tegengekomen op je televisietoestel? Dat kan kloppen, want Wannano.tv is  online televisie. Het is een project van Steven de Winter, voorheen correspondent en chef van de buitenlandredactie van NRC Handelsblad en radio- en tv-documentairemaker (onder meer voor VPRO’s buitenlandprogramma Diogenes).  En nu dus aan de slag met internettelevisie: “Het is een journalistiek experiment. Ik noem het ‘micro-tv’. ” Read more →

Krant of internet belangrijker?

De krant is nog altijd een belangrijkere nieuwsbron voor Amerikanen dan internet. Dat blijkt uit een recente opiniepeiling van het Amerikaanse onderzoeksbureau Gallup. Huh? De krant belangrijker dan internet? Maar uit onderzoek van PEW bleek toch dat internet de krant was voorbij gestoken als nieuwsbron? Hoe kan dat?

Read more →

Wat is het belangrijkste nieuwsmedium?

Internet overtakes newspapers as news source‘, meldde het Amerikaanse onderzoeksinstituut PEW op 23 december. Het is een historisch moment in de Amerikaanse geschiedenis. Voor het eerst is internet een belangrijkere nieuwsbron dan de krant.

Read more →

Grote hekel aan ‘internetseksuelen’

Hans Wansink is een voorvechter van de klassieke journalistiek. Hij moet niets hebben van bloggers, burgerjournalisten en anonieme reaguurders. Lees zijn column maar die zaterdag in de Volkskrant verscheen. Met Warna Oosterbaan schreef hij een boek over de toekomst van de dagbladen: De krant moet kiezen. Naar aanleiding van dat boek mailde ik met hem. Zijn grootste ergernis: ‘internetseksuelen’ die de krant dood verklaren.

Read more →

Veel dagbladen scoren slecht op internet


Heeft nieuws op internet de toekomst? Zo ja, dan dreigen veel dagbladen de boot te missen. Want de meeste dagbladtitels verkopen dagelijks meer papieren kranten dan dat ze bezoekers naar hun website weten te trekken. Er zijn drie uitzonderingen: De Telegraaf, Algemeen Dagblad en de Provinciale Zeeuwse Courant.

Doet een dagblad het op internet net zo goed als op papier? Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Zeker niet voor regionale dagbladen. Om een voorbeeld te noemen: een grote krant als De Gelderlander (papieren oplage van net geen 150.000 exemplaren) trekt minder bezoekers naar zijn site dan de kleine PZC (papieren oplage van iets meer dan 50.000 exemplaren). Dagelijks klokt de site van De Gelderlander zo’n 42 duizend bezoeken, terwijl de PZC tot 59 duizend komt.

Om een beeld te krijgen van hoe goed dagbladen het op internet doen ten opzichte van hun papieren verkoop, heb ik het aantal bezoekers per dag van elke dagbladsite (cijfers van de Stichting Internetreclame uit maart 2008) gedeeld door het aantal exemplaren dat kranten dagelijks verkopen (cijfers van HOI-Instituut voor Media Auditing uit het eerste kwartaal 2008). Als de uitkomst van deze berekening 1 is, dan is het aantal websitebezoekers gelijk aan het aantal verkochte kranten. Een uitkomst hoger dan 1 betekent dat de website meer bezoekers trekt dan er papieren kranten worden verkocht. De cijfers staan in onderstaande tabel.

Het succes op internet blijkt niet afhankelijk te zijn van de omvang van de papieren oplage. Zoals gezegd doet een kleine krant als de PZC het uitstekend op internet, terwijl het Leidsch Dagblad en het Friesch Dagblad het slecht doen. De laatste twee verkopen drie keer meer papier dan ze aan bezoekers op hun website ontvangen. Daarentegen doet een groot regionaal dagblad als het Dagblad voor het Noorden het prima op internet, terwijl grote broers als De Gelderlander en het Dagblad De Limburger slecht scoren.

Is het positief of negatief als kranten het op papier beter doen dan op internet? Je zou kunnen zeggen van wel. Uitgevers verdienen meer aan een verkochte papieren krant dan aan een bezoeker op internet. Als een krantensite weinig bezoekers trekt is die site geen bedreiging voor de papieren versie, zou je kunnen redeneren.

Maar vermoedelijk is een slechte score op internet een veeg teken voor de reputatie van een krant en de band met het lezerspubliek. Als mensen internet gebruiken om zich op de hoogte te stellen van het nieuws, dan gaan Tukkers blijkbaar niet naar de site van het Twentsch Dagblad Tubantia. Voor Zeeuwen is de PZC daarentegen wel een krant die het bezoeken waard is op internet. Wat de oorzaak van dat verschil is? Ik heb niet direct een idee. Iemand suggesties?

Dagblad Betaalde oplage Bezoeken/dag Ratio
Telegraaf 625.405 1.403.516 2,24
Algemeen Dagblad 413.993 534.806 1,29
PZC 52.090 59.387 1,14
Volkskrant 236.364 191.129 0,81
Dagblad van het Noorden 134.303 98.870 0,74
Trouw 93.524 66.612 0,71
NRC 204.572 138.387 0,68
De Stentor 127.837 85.774 0,67
Nederlands Dagblad 31.645 18.451 0,58
BN/DeStem 111.800 62.838 0,56
Reformatorisch Dagblad 55.670 29.064 0,52
Brabants Dagblad 126.653 55.903 0,44
Parool 64.251 27.516 0,43
Leeuwarder Courant 91.036 37.838 0,42
Noordhollands Dagblad 135.787 54.064 0,40
Gooi- en Eemlander 26.918 10.677 0,40
Eindhovens Dagblad 105.866 33.258 0,31
Friesch Dagblad 14.783 4.419 0,30
Leidsch Dagblad 31.589 9.612 0,30
De Gelderlander 149.455 42.451 0,28
Dagblad De Limburger 131.250 30.129 0,23
TC Tubantia 111.584 19.903 0,18


Actualiteit gaat boven interactiviteit


Het internet beloofde radicale veranderingen voor de journalistiek. Snelheid en actualiteit zouden nog belangrijker worden. Maar ook interactiviteit en publieksparticipatie zouden een prominente rol gaan vervullen. Maar dat laatste komt maar langzaam op gang, zeker bij gevestigde nieuwsredacties. De oorzaak? Journalisten vinden actualiteit belangrijker dan interactiviteit.

Dat blijkt uit een onderzoek van David Domingo dat onlangs verscheen in de Journal of Computer-Mediated Communication. Hij was op enkele internetredacties (twee van een krant, één van een omroep en één zelfstandige webredactie) in Catalonië (Spanje) aanwezig om het werk van journalisten te observeren en hield interviews met hen. Juist van die webredacties zou je verwachten dat ze gebruik maken van toepassingen die interactie met het publiek mogelijk maken.

In de gesprekken benadrukten de internetjournalisten steeds dat interactiviteit een belangrijk element is van internetjournalistiek. Maar in hun werk bleek interactie met het publiek een marginale rol te spelen. De journalisten erkennen dat ze de mogelijkheden voor interactiviteit niet volop benutten. Als oorzaak wijzen ze op een tekort aan middelen: te weinig mankracht om initiatieven te ontplooien en in de lucht te houden.

Maar volgens het onderzoek was vooral de klassieke journalistieke cultuur de boosdoener. Binnen die cultuur is actualiteit een groot goed: het nieuws zo snel mogelijk publiceren, het liefst eerder dan alle concurrenten. Dat was dan ook de prioriteit van de onderzochte internetredacties. Door te scoren op actualiteit konden ze hun bestaansrecht tegenover andere redacties bewijzen.

Op de redactie die geen banden had met een traditionele nieuwsmedium waren meer interactieve intitiatieven dan op de andere redacties. Deze webredactie werd veel minder gehinderd door de logica van oude media en was daardoor meer geneigd tot interactie met hun publiek.

De internetredacties van de ‘oude’ media (krant en omroep) zagen interactieve toepassingen vooral als een belemmering voor hun eigenlijke taken. Voor de zelfstandig opererende webredactie was interactiviteit vooral een uitdaging om berichtgeving te verrijken met input van gebruikers.

Wie wil interactie?


Sinds Web2.0 flink aan de weg timmert zijn ‘participatie’ en ‘interactie’ de toverwoorden. Ook de journalistiek moeten eraan geloven. Op een beetje nieuwssite barst het van de mogelijkheden voor de bezoeker: foto’s inzenden, reacties onder berichten plaatsen, video’s aanklikken, tips versturen, de redactie mailen, de openingspagina personaliseren, chatten met de redactie. Het kan niet op. Maar wie maken er eigenlijk gebruik van?

Die vraag staatd centraal in het onderzoek van Deborah Chung dat onlangs is gepubliceerd in de Journal of Computer-Mediated Communication. Ze liet bezoekers van een krantensite een online enquête invullen over hun gebruik van interactieve toepassingen op nieuwssites.

Vervolgens blijkt dat de gemiddelde bezoeker weinig gebruik maakt van de mogelijkheden. Door de bank genomen wordt elke interactieve toepassing slechts af en toe gebruikt door een sitebezoeker. Vooral de meeste interactieve toepassingen, zoals fora en chatten, kennen een beperkt aantal gebruikers.

En wie zijn die gebruikers van interactieve toepassingen? Het zijn mensen – vooral mannen – die politiek betrokken zijn en vertrouwen hebben in online nieuwssites. Het lijkt dus van belang voor nieuwssites om vertrouwen bij het publiek te kweken om ze te verleiden tot gebruik van de interactieve mogelijkheden.

Maar hoe zit het met dat weinige gebruik van interactieve toepassingen? Hebben mensen er geen behoefte aan? Of is de oorzaak dat nieuwssites veel van de onderzochte toepassingen helemaal niet aanbieden? Uit diverse onderzoeken is immers gebleken dat veel nieuwsredacties de interactieve mogelijkheden van het web nauwelijks benutten.

De beperkte beschikbaarheid van interactieve toepassingen is volgens onderzoeker Chung onmiskenbaar een belangrijke oorzaak van het weinig gebruik. Via e-mail laat ze weten: “Over the past few years, I have observed little or gradual change in the incorporation by major news organizations of interactive features that facilitate interpersonal communication and personal expression. Because of such limited availability, news audiences do not feel accustomed to using these features on news sites. I believe that this will change as more and more news publications are joining the Web 2.0/3.0 movements and allowing news audiences to express their perspectives and join the conversation.”

Onderzoeken zoals deze wekken nogal eens de suggestie dat de waarde van interactieve toepassingen zit in het actieve gebruik door mensen: foto’s insturen, reacties plaatsen, chatten en noem maar op. Maar wellicht zitten veel mensen daar niet op te wachten, maar vinden ze het wel bijzonder leuk of interessant om de bijdragen van andere bezoekers te bekijken. Het zou goed zijn om ook dit passievere gebruik in vervolgonderzoek eens onder de loep te nemen. Dan krijg je een beter beeld van de toegevoegde waarde van al die interactieve toepassingen.

De noodzaak van kranten


Een week met tegenstrijdige berichten krantminnend Nederland. Eerst verklaart Cornelis van den Berg, uitgever van De Pers, in het Belgische dagblad De Morgen dat de krant hét medium van de toekomst is: “De meeste mensen willen niet de hele dag geïnformeerd worden over wat er in de wereld gebeurt. Ze willen ’s morgens een papieren krant waarin goede journalisten hen vertellen wat ze willen weten.” Vervolgens blijkt uit de nieuwste oplagecijfers dat de betaalde kranten nog steeds in een neerwaartse spiraal zitten. Ook wordt deze week weer eens bevestigd dat de sites van kranten het moeten afleggen tegen de online only nieuwssite Nu.nl.

Je zou je kunnen afvragen waar zo’n drukte om wordt gemaakt. We lezen het nieuws van papier of van een computerscherm. So what?

Dat maakt wel degelijk verschil, zo betoogt Eric Alterman in een lijvige analyse in The New Yorker. De nieuwe nieuwsmedia – blogs, community sites, maar ook de gratis dagbladen – hebben een belangrijk kenmerk: ze investeren weinig in eigen nieuwsgaring. Terwijl kranten veel geld spenderen aan verslaggevers, correspondenten en onderzoeksjournalistiek, doen blogs en shovelsites weinig meer dan de berichten van krantenjournalisten verzamelen en becommentariëren. Of puntige stukjes schrijven over nieuws dat door krantenjournalisten boven tafel is gehaald.

Als de krant ten onder gaat, zal ook de eerste klas journalistiek verdwijnen, zo betoogt Alterman. En dat zou een zware klap zijn voor de democratie. Er blijven dan namelijk weinig redacties over die veel mankracht en geld vrij zullen maken om kwesties uit te zoeken, verslaggevers en fotografen de wereld in te sturen. Met als gevolg dat allerlei misstanden aan het oog ontrokken blijven. Zonder een leger van professionele reporter en fotografen kun je je afvragen wat er zal gebeuren met al die mensen die – in binnen- en buitenland – door het kritische oog van de journalistiek verschoond blijven van verdrukking, marteling en onrechtvaardigheid.

Het is een zwaarmoedige boodschap, die in elk geval weer eens tot diep nadenken aanzet over het belang van goede journalistiek.

Journalistiek zonder internet is onmogelijk


Dat internet tegenwoordig onmisbaar is voor journalisten, is natuurlijk een platitude van jewelste. Journalisten e-mailen, surfen, downloaden en zoeken heel wat af op een werkdag. Geen hond die zich nog kan heugen hoe het ook al weer ging zonder het world wide web.

Alleraardigst is dan ook de opdracht die Quest-redacteur Rik Kuiper kreeg van zijn redactie: schrijf een artikel over de vraag of het mogelijk is om het internet plat te leggen. En dat niet alleen, hij kreeg ook opgedragen om zelf te ondervinden hoe het is als terroristen het web onklaar zouden maken. Kortom, hij moest zijn verhaal maken zonder te grijpen naar de journalistieke automatismen van deze tijd, zoals een zoekopdracht intikken op Google, een deskundige e-mailen of op het web controleren of een andere journalist al eerder een vergelijkbaar verhaal heeft geschreven.

Vol goede moed ging de dappere speurder op pad. Hij bezocht tevergeefs een ouderwetse boekhandel voor een boek over cyberterrorisme; een medewerker verzekerde hem dat hij daarvoor beter op internet kon kijken. Deskundigen die hij raadpleegde vielen stil op het moment dat hij ze liet weten dat hij geen e-mail van ze wilde ontvangen.

Uiteindelijk bleek de verleiding van internet te groot voor de nijvere reporter. Al na een paar dagen ging hij voor de bijl toen hij stiekem enkele telefoonnummers op de site van de Telefoongids opzocht. Daarna volgden het sturen van een paar mailtjes, het downloaden van een dik overheidsrapport en het ontvangen van artikelen per e-mail.

Uit onderzoek was al bekend dat negentig procent van de Nederlandse journalisten erkent dat het journalistieke werk een stuk moeilijker zou zijn als men geen gebruik meer zou kunnen maken van internet. Het experiment van Rik Kuiper is hiervoor een goede illustratie. Zeker als je zo gewend bent geraakt aan het dagelijkse gemak van internet, blijkt het bijzonder lastig om het zonder te moeten doen. Het is overigens, ondanks of dankzij internet, een informatief artikel in de Quest van april geworden over cyberterreur.

Haalt En.nl de vier maanden?


En.nl is een legendarische Nederlandse nieuwssite. Maar niet omdat het een enorm succes was, integendeel. In 2001 lanceerde uitgever PCM En.nl als concurrent van NU.nl, dat op dat moment al twee jaar redelijk succesvol aan de weg timmerde als zelfstandig opererende nieuwssite.

De PCM-tegenaanval werd een lachertje: al na vier maanden haalde het concern En.nl weer van het web. De internetzeepbel was geknapt en PCM was van plan zijn handen zo snel mogelijk van het web af te trekken. Zo kondigde het bedrijf aan de websites van de PCM-kranten uit te kleden tot een soort van teletekst. En.nl werd zo het schoolvoorbeeld van een webinitiatief dat de nek werd omgedraaid voordat het de kans had gekregen zich te bewijzen.

Nu maakt En.nl plotsklaps een onverwachte comeback. Niet als de normale nieuwssite van weleer, maar als experiment dat drijft op gebruikersparticipatie. De berichten komen echter niet van de sitebezoekers, maar van het ANP. De participatie van de gebruikers begint zodra de ANP-berichten op de site verschijnen. Dan kunnen ze de tekst veranderen en foto’s, filmpjes en links toevoegen. Een soort van wikinews dus. Het prachtige is dat elke verandering keurig wordt bijgehouden. Dat betekent dat je elke voorgaande versie nog weer kan oproepen.

Vooralsnog is de bezoekersparticipatie niet bijzonder hoog. Het meest becommentarieerde bericht telt acht reacties. Het meest bewerkte bericht telt dertien veranderingen. Maar de site is pas net actief. Hopelijk loopt de inbreng van gebruikers flink op zodat dit gedurfde initiatief niet al weer na vier maanden van het web zal verdwijnen.