Tag: mediagebruik

Sociale media zijn níet de belangrijkste nieuwsbron voor jongeren

Sociale media belangrijkste nieuwsbron voor jongeren. Toen ik die kop op vk.nl las, dacht ik meteen: wow, dat is sensationeel nieuws! Sensationeel, omdat dit een revolutionaire breuk zou zijn met de manier waarop mensen, en ook jongeren, van oudsher nieuws consumeren, namelijk via de krant, het televisienieuws en nieuwssites. Uit Nederlands onderzoek uit 2010 bleek nog dat de televisie veruit de belangrijkste nieuwsbron was voor jongeren. Dat medium is nu dus voorbij gestreefd door sociale media als Twitter en Facebook. Sensationeel! Als het waar zou zijn…

Read more →

Krant of internet belangrijker?

De krant is nog altijd een belangrijkere nieuwsbron voor Amerikanen dan internet. Dat blijkt uit een recente opiniepeiling van het Amerikaanse onderzoeksbureau Gallup. Huh? De krant belangrijker dan internet? Maar uit onderzoek van PEW bleek toch dat internet de krant was voorbij gestoken als nieuwsbron? Hoe kan dat?

Read more →

Wat is het belangrijkste nieuwsmedium?

Internet overtakes newspapers as news source‘, meldde het Amerikaanse onderzoeksinstituut PEW op 23 december. Het is een historisch moment in de Amerikaanse geschiedenis. Voor het eerst is internet een belangrijkere nieuwsbron dan de krant.

Read more →

Hoeveel tijd lezen we in de krant?


In vergelijking met andere Europese landen zijn Nederlanders middelmatige krantlezers: dagelijks besteden we gemiddeld 35 minuten aan de krant. Dat meldde ik vorige week in een bericht over een onderzoek naar krantlezen in Europa. Maar 35 minuten lijkt me behoorlijk veel. Klopt dat cijfer wel?

Read more →

Kranten lezen in Europa


De Ieren zijn Europees kampioen krantlezen: zij besteden op een doorsnee dag zo’n 53 minuten aan het lezen van de krant. De Grieken steken daar schril tegen af met circa 16 minuten per dag. Nederland is een middenmoter met de 35 minuten die we gemiddeld genomen dagelijks besteden aan de krant.

Ook het percentage niet-lezers varieert fors in Europa. Zo kijkt vijf procent van de Noren nooit een krant in, terwijl liefst tweederde van de Grieken geen krant leest. Nederland is wederom een middenmoter met zo’n twintig procent niet-krantlezers onder de bevolking.

Read more →

Vervangen sites de papieren krant?


Dagbladsites zetten opmars voort, zo meldde Cebuco vorige week donderdag in een persbericht. Was dat bericht reden tot juichen of jammeren voor deze marketingorganisatie van de Nederlandse dagbladen? Maar al te vaak wordt immers de zorg uitgesproken dat de gratis krantensites een bedreiging zijn voor de papieren oplages. Voor dagbladbedrijven is dat zorgelijk, want aan papier valt – nog steeds – goed te verdienen, terwijl dat voor krantensites nog niet het geval is, zo betoogt Francisco van Jole op de Nieuwe Reporter.

Cebuco komt in het betreffende persbericht met een geruststellende mededeling voor de Nederlandse dagbladen. Lezers zouden krantensites zien als een aanvulling op de gedrukte krant. Het lezen van papier is een dagelijks ritueel, bijvoorbeeld tijdens het ontbijt, terwijl mensen de krantensites gebruiken om snel even op de hoogte te raken van het laatste nieuws. “In hun functie zijn de kanalen dus complementair”, concludeert Cebuco op basis van het Mediabelevingsonderzoek 2007.

Dat geluid is niet nieuw. Vrijwel direct toen krantensites hun intrede deden, bogen wetenschappers zich over mogelijk kannibalisme door online kranten. De uitkomsten van die onderzoeken verleidde de onderzoekers tot enig optimisme over de toekomst van de papieren krant.

Neem de Amerikaanse onderzoekers die in 1998 een telefonisch enquête hielden onder inwoners van Austin (Texas) en omliggende gemeentes. Liefst 83% van de bezoekers van de site van het plaatselijke dagblad bleken ook de papieren versie van die krant te lezen. Voor de nationale dagbladen (zoals New York Times en USA Today) lag dat iets lager: ongeveer de helft van de sitebezoekers lazen ook de printversie. Kortom, de bezoekers van een krantensite zijn mensen die dezelfde krant op papier lezen. Derhalve concludeerden de onderzoekers dat een krantensite geen bedreiging is voor de papieren oplage, maar een aanvullende informatiebron voor lezers.

In een in 2002 gepubliceerd onderzoek namen onderzoekers de oplages en advertentie-inkomsten van Engelse en Nederlandse kranten over de periode 1990-2000 onder de loep. Slechts enkele kranten lieten een daling van oplage en advertentie-inkomsten zien. Dat bracht de onderzoekers tot de volgende conclusie: “The threat of cannibalization appears to be considerably lower than widely assumed. The Internet rarely cannibalizes traditional channels.” Wel wezen zij erop dat de bezoekers van krantensites over het algemeen jonger zijn dan de papieren lezers.

Een conclusie die we ook tegenkomen in het onderzoek van Ester de Waal. Zij concludeert na een telefonische enquête onder Nederlanders in 2002 dat vooral jong volwassenen (18-37 jaar) online kranten raadplegen ter vervanging voor traditionele kranten. Bij andere leeftijdsgroepen was daar geen sprake van.

De uitkomsten van deze onderzoeken mogen de onderzoekers tot optimisme stemmen over de papieren krant, maar wat deze onderzoeken vooral laten zien is dat mensen niet van de ene op de andere dag hun abonnement op de krant opzeggen om vervolgens het nieuws via internet te gaan volgen. Zo’n verandering gaat geleidelijk. Pas vanaf eind jaren negentig is er sprake van een dalende trend in de oplages van de landelijke dagbladen. Een nieuwe meerjarige analyse van de oplagecijfers zou wel eens een heel ander beeld kunnen laten zien dan in 2000.

Verder laten de onderzoeken bij herhaling zien dat jongeren nieuwssites gebruiken als vervanging van de papieren krant. Zij tonen weinig binding met papieren kranten en zullen vanwege de makkelijke verkrijgbaarheid van nieuws op internet weinig reden hebben om een duur krantenabonnement te nemen. Wellicht gaven de eerste wetenschappelijke onderzoeken weinig reden tot zorg, maar dat kwam doordat er op dat moment nog weinig te zien was van de omwenteling die zich langzaam maar zeker steeds duidelijker is gaan manifesteren. Het bezoek aan krantensites zit – getuige de cijfers van Cebuco – nu pas flink in de lift, dus nu pas gaat duidelijk worden of de sites hun papieren moedertje gaan verdringen.

Vals alarm over journalistiek uit VS


Uit de Verenigde Staten kwam deze week een alarmerend geluid voor journalisten. De bewoners van dat land zijn namelijk hoogst ontevreden de journalistiek, zo toonde een We Media/Zogy Interactive-onderzoek aan. Liefst tweederde van de Amerikanen vindt de kwaliteit van de journalistiek onder de maat. Verder toonde het onderzoek aan dat ze het nieuws in toenemende mate via internet gaan volgen in plaats van via krant of televisie. Inmiddels is voor de helft van de Amerikanen internet de belangrijkste nieuwsbron.

“Onrustbarend”, zo typeerde hoofdredacteur van Sp!its, Bart Brouwers, de geschetste ontwikkeling aan de overkant van de oceaan in zijn blog. Kleine geruststelling: vooralsnog is het minder onrustbarend dan de onderzoekers doen voorkomen.

De vragenlijst is namelijk afgenomen middels een online enquête. Dat betekent dat het onderzoek zich beperkt tot internetgebruikers. En nog lang niet alle Amerikanen maken gebruik van internet. Uit cijfers van het onderzoeksinstituut Pew blijkt dat zo’n 30% van de bevolking het web structureel mijdt. Wie weet zitten daar heel wat mensen tussen die de journalistiek een warm hart toedragen en nog altijd braaf elke dag hun krantje lezen om op de hoogte te blijven.

Nederlander topper op gebied van internet


Vanochtend al een reactie gekregen op mijn oproep van gisteren aan het CBS om zo aardig te zijn om even te becijferen of de gemiddelde internetvaardigheid van Nederlanders tot de top van Europa behoort. Dit liet het CBS me weten:

“Wanneer we het aandeel personen met hoge internetvaardigheden percenteren op de totale bevolking blijft de rangorde binnen Europees verband vrijwel ongewijzigd. Nederland scoort in 2007 net boven het EU-gemiddelde (8%), met 12% van alle personen in Nederland die hoge internetvaardigheden bezitten. België en Duitsland scoren onder het EU-gemiddelde, met respectievelijk 5% en 6% van de totale bevolking. Estland daarentegen blijft samen met Finland aan de kop, met respectievelijk 28% en 29% van de totale bevolking die over hoge internetvaardigheden beschikt.”

Ai, daar ga ik dan met mijn stoere voorspelling, dacht ik meteen. Tot ik besefte dat deze cijfers gaan over het percentage inwoners met hoge internetvaardigheden, maar nog steeds niets zeggen over de gemiddelde internetvaardigheid in een land.

Daarom ben ik zelf maar eens in de cijfers gedoken. Deze zijn te vinden op de site van Eurostat, het Europese bureau voor de statistiek waar ook het CBS zijn gegevens vandaan haalt. Via het tabblad ‘data’ op het midden van de pagina, en vervolgens ‘information society statistics’ kom je bij de gegevens.

Om er achter te komen in welk land de internetvaardigheden per hoofd van de bevolking het grootst zijn, moet je berekenen door hoeveel mensen in elk land de verschillende internettoepassingen worden gebruikt.

Eurostat heeft gegevens verzameld over het gebruik van zes internettoepasingen: 1. zoekmachines,2. e-mail, 3. chatten en webfora, 4. internettelefonie, 5. uitwisseling van muziek en films, 6. een eigen website beheren.

Voor elk van deze webactiviteiten beschikt Eurostat over cijfers van het percentage mensen dat er gebruik van maakt in de verschillende Europese landen. Daaruit kan je vervolgens berekenen hoeveel procent van de bevolking gemiddeld gebruik maakt van die internettoepassingen.

Wat blijkt? Het gemiddelde gebruik van die internettoepassingen in heel Europa is 28%.
In Denemarken is dat 40%.
In Estland is dat 39%.
In Finland is het 38%.
En in Nederland is het 42%.

Dat betekent dus dat Nederland qua internetvaardigheden tot de top van Europa behoort. Het gemiddelde gebruik van internettoepassingen is in Nederland net wat hoger dan in de landen waar veel mensen met hoge internetvaardigheden wonen. De Nederlander is dus zeker geen internetkneus.

Metro dé kneus op gebied van statistiek


Elke ochtend spoeden vele Nederlanders zich met de trein naar hun kantoren. Mobiele telefoon met internetabonnement in de zak, laptop onder de arm, mp3-speler in de oren, snel nog een gratis krant meegrissend voor onderweg. Ja, Nederland is een modern land en zijn inwoners maken gretig en goed gebruik van de moderne communicatieapparatuur. Daar kan menig ander land een voorbeeld aan nemen.

Althans, dat dachten we. Metro schoot vanochtend ons trotse digitale zelfbeeld met een knallende kop aan flarden: “Nederlander dé kneus op gebied van internet.” Dat was even slikken voor de ontwakende forenzen. Volgens de onderkop van het artikel hebben we weliswaar de beste internetvoorzieningen van Europa, maar tegelijkertijd slechte vaardigheden.

Nederlanders kunnen nog veel leren op internetgebied, zo meldt het bericht. Want “onze internetvaardigheden zijn minder ver ontwikkeld dan die van de inwoners van dertien andere Europese landen, waaronder veel Oostbloklanden.” Dit zou blijken uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Nederland een ontwikkelingsland op het gebied van internet? Het gekke is dat in Nederland inmiddels vrijwel iedereen internet. Sommigen doen niet veel meer dan een mailtje sturen en wat surfen op het web, maar toch, vrijwel iedereen doet wel iets met internet. In veel andere landen – die volgens Metro veel internetvaardiger zijn – is het aandeel mensen dat internet veel lager. Hoe komt Metro dan tot de conclusie dat Nederlanders kneuzen zijn op het internet?

Dat komt doordat Metro de cijfers verkeerd interpreteert. In sommige landen beschikt maar een klein aandeel van de bevolking over internet. Dat zullen de beter opgeleide mensen zijn met een goede baan. Deze groep maakt intensief gebruik van internet: e-mailen, chatten, muziek downloaden, website beheren, etc. De rest van de bevolking gebruikt geen internet en beschikt dus over nul vaardigheden. Maar deze groep wordt door het CBS helemaal niet meegerekend in de percentages die aangeven hoe groot het aandeel internetgebruikers met veel vaardigheden is.

In sommige landen zijn er onder de internetgebruikers dus relatief veel mensen met veel internetvaardigheden. Maar onder de totale bevolking is dat aandeel veel geringer, simpelweg omdat veel mensen over geen enkele internetvaardigheid beschikken.

Kortom, Metro maakt de fout uitspraken te doen over de totale bevolking van landen, terwijl de cijfers van CSB slechts betrekking hebben op de internetgebruikers in de diverse landen. Daardoor geeft de krant een vals beeld van de internetvaardigheden van de gemiddelde Nederlander.

Ik durf de volgende stelling wel aan: Per hoofd van de bevolking behoort de gemiddelde internetvaardigheid van Nederlanders tot de top van Europa. Laat het CBS zo aardig zijn om dat even voor ons te becijferen. In de tussentijd mag de Metro-redactie haar statistiekvaardigheden wat bijspijkeren.

Vooral ouderen waarderen burgerjournalistiek

Dit blog bevat geen videofragmenten. Gelukkig vinden veruit de meeste mensen de informatie daardoor niet minder betrouwbaar. Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek naar internetgebruik in Nederland. Een hele opluchting. Ook burgerjournalisten kunnen gerust zijn: veel mensen vinden hun berichten net zo betrouwbaar als die van professionele journalisten.

Het rapport toont het beeld van een bloeiende online natie. Er wordt massaal geïnternet, de verbinding met het world wide web staat een groot deel van de dag aan en men e-mailt, surft, downloadt en chat heel wat af. Met als gevolg dat de internettende bevolking zich beter op de hoogte voelt dan ooit tevoren. Vrijwel iedereen (90%) kan zijn weg dan ook goed vinden op het net en is in staat om alle gezochte informatie daadwerkelijk te vinden.

Maar het is niet louter rozengeur en maneschijn. De mensen vinden weliswaar de informatie die ze zoeken, maar de helft vindt het vervolgens lastig om te bepalen of de gevonden informatie klopt. En driekwart heeft behoefte aan meer kennis over hoe je om moet gaan met informatie van internet.

Kortom, informatie op het web vinden is geen probleem, maar beoordelen of het goede informatie is blijkt een stuk lastiger. Dat is niet zo verwonderlijk: wie op Google een paar trefwoorden intikt, stuit altijd wel op een paar relevante verwijzingen. Maar de bron is vaak onbekend, obscuur en dus lastig op betrouwbaarheid te beoordelen.

Hoe zit het dan met ‘erkende’ nieuwsbronnen, de nieuwssites van naam en faam? Ze worden door veel mensen (ongeveer zeventig procent) bezocht, maar hoe betrouwbaar worden ze gevonden? Helaas levert dit onderzoek daar weinig duidelijkheid over. Er is niet gevraagd naar de betrouwbaarheid van verschillende nieuwssites. Hooguit valt uit de gegevens af te leiden dat sommige mensen sites van kranten (zoals de Volkskrant en De Telegraaf) betrouwbaarder vinden dan nieuwssites (zoals Nu.nl), maar anderen vinden juist weer van niet.

Wat wel duidelijk wordt is dat de professionele journalist niet bij iedereen een streepje voor heeft. Bijna de helft van de mensen vindt de berichtgeving van burgers net zo goed als die van beroepsjournalisten. Opmerkelijk genoeg vinden de burgerjournalisten hun aanhangers vooral onder de oudere internetters. Jongeren zijn juist meer te spreken over professionele journalisten; zestig procent van de 20-29-jarigen vindt het nieuws van burgerjournalisten minder goed dan van professionals. Bij de 60-plussers is nog geen vijftig procent die mening toegedaan. Meer dan de helft van de internettende senioren neemt dus genoegen met burgerberichtgeving. Dat roept vragen op: want waren het niet juist die jongeren die zich klikkend, bloggend en hyvend steeds minder zouden aantrekken van de ‘oude’ journalistiek?