Tag: persvrijheid

“Media moeten de vrijheid hebben hun verhaal met beelden te illustreren”

Vorige week vrijdag verbood de rechter Peter R. de Vries om de beelden uit te zenden die met een verborgen camera waren gemaakt van seriemoordenaar Koos H. De Vries lapte het verbod aan zijn laars, met als gevolg dat hij vermoedelijk een dwangsom zal moeten betalen. De dagen erna besteedden ook andere programma’s aandacht aan de uitzending. Nova en NOS Journaal zonden ook enkele fragmenten van de ‘verboden’ beelden uit. Wat bij mij de vraag opriep: zijn die programma’s dan ook in overtreding en moeten zij straks ook die dwangsom betalen? Dus deed ik navraag bij Wouter Hins, bijzonder hoogleraar mediarecht aan de Universiteit Leiden: “Dat de media hun bijdrage aan het maatschappelijk debat willen illustreren met een enkel beeld is op zichzelf te rechtvaardigen.” Read more →

“Levensgevaarlijk land voor journalisten”

“Mexico dodelijke werkplek voor journalisten.” Geen fijn bericht dat Inter Press Service gister verspreidde. Liefst dertien journalisten werden in Mexico vermoord in 2009. In de afgelopen tien jaar stierven  57 journalisten na aanslagen op hun leven. Anderen verdwenen spoorloos. Desondanks toog een jonge Nederlandse journalist enkele maanden geleden naar dit land voor een carriére als buitenlandcorrespondent. “Ik liep al heel lang rond met de wens om in Latijns Amerika te werken. Toen ik een Mexicaanse vriendin kreeg was de keuze snel gemaakt.” Read more →

Bronbescherming voor wie?


Eerst vond minister van Justitie Hirsch Ballin het nergens voor nodig. Toen bedacht hij zich en ging in conclaaf met de Nederlandse Vereniging van Journalisten en het Genootschap van Hoofdredacteuren. Vandaag ging dan eindelijk het wetsvoorstel de deur uit. Bronbescherming voor journalisten. En voor bloggers. Of eigenlijk voor iedereen. Of toch niet?

Allereerst maar een belangrijk voorbehoud: ik ben geen jurist, maar wel erg geïnteresseerd in het recht op bronbescherming voor journalisten. Dus als leek op juridsch gebied ben ik het wetsvoorstel ingedoken om te bekijken wat het inhoudt. Want vooraf was er volop discussie: moet de minister nu gaan uitmaken wie zich wel of niet journalist mag gaan noemen?

Om er even in te komen ben ik begonnen met het persbericht van het ministerie. Hierin lees ik: “Journalisten krijgen een recht op bronbescherming. Daarmee wordt het verschoningsrecht voor deze beroepsgroep wettelijk vastgelegd. De regeling biedt niet alleen duidelijkheid en zekerheid, maar is tevens een erkenning van de bijzondere positie die journalisten innemen.”

Mijn eerste indruk: het recht op bronbescherming gaat alleen gelden voor de beroepsgroep van journalisten. Dus mensen die hun brood verdienen met journalistiek werk. Andere mensen, zoals bloggers, zijn ervan uitgesloten. Heeft de minister nu dus toch afgebakend wie zich wel of niet journalist mag noemen en op basis daarvan een beroep kan doen op het verschoningsrecht?

Maar nee, dat blijkt toch niet het geval, want even verderop lees ik: “Er komt geen strikte wettelijke omschrijving van ‘de journalist’. Van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting kan door een ieder gebruik worden gemaakt. Dit betekent dat zowel journalisten die beroepsmatig met berichtgeving bezig zijn als de zogenaamde blogger van wie de activiteiten zijn gericht op het publiek en degene die ad hoc via de media deelneemt aan het publieke debat, een beroep op bronbescherming kunnen doen.”

Daaruit zou je op kunnen maken dat de bronbescherming gaat gelden voor iedereen, als je maar deelneemt aan het publiek debat. Dat lees ik ook in het officiële wetsartikel. In gewone mensentaal: je mag je bronnen in de rechtbank geheim houden als informatie je is toevertrouwd “in het kader van beroepsmatige berichtgeving” ofwel “in het kader van deelname aan het publiek debat”. Dus dan zou iedereen die deelneemt aan het publiek debat zich kunnen beroepen op bronbescherming?

Dat lijkt wel zo, want ook in de toelichting op het wetsvoorstel valt te lezen: “In de thans voorgestelde omschrijving is ervan uitgegaan dat het recht op bronbescherming toekomt aan degene die zich beroepsmatig bezighoudt met berichtgeving of in het kader van berichtgeving deelneemt aan het publieke debat.” En even verder schrijft de minister dat het niet van belang is of iemand betaling ontvangt voor zijn publicaties of (journalistieke) werkzaamheden: “Doorslaggevend is of de publicatie of uiting bedoeld is om in het publieke debat een rol te spelen en of met de berichtgeving openbaarmaking in ruimere kring is beoogd.”

Maar betekent dat dan dat iedereen die publiceert een beroep kan doen op bronbescherming? Nee, toch niet, zie ik als ik verder lees in de toelichting. Voorwaarde is dat je je houdt aan de beroepsethische normen. De minister wil het verschoningsrecht alleen toekennen aan mensen die ‘een betekenisvolle bijdrage’ leveren aan het publieke debat. En dat ‘betekenisvolle’ houdt in: je houden aan de beroepsethische normen, zoals het controleren van feiten, verificatie van bronnen, recht op weerwoord en op rectificatie.

Dat laatste is ook te lezen in het persbericht van het ministerie: “Bij de beoordeling van de vraag of een beroep op bronbescherming terecht wordt gedaan, kan de rechter zich ook op ethische beroepsregels van journalisten oriënteren. Is een bewering van een journalist behoorlijk onderbouwd, is informatie nagetrokken en wordt zij uit andere bronnen bevestigd en is hoor en wederhoor toegepast.”

Conclusie: het recht op bronbescherming gaat niet voor iedereen gelden. Alleen mensen die de journalistieke normen strikt hanteren kunnen een beroep doen op het verschoningsrecht. Dat betekent dus dat het ook niet zo is dat professionele journalisten – mensen die met journalistiek hun brood verdienen- automatisch onder het de wet op de bronbescherming vallen. De rechter zal eerst bekijken of de betreffende persoon zich wel heeft gehouden aan de journalistieke mores. Zou dat dan toch nog kunnen betekenen dat een rechter een Telegraafjournalist het recht op bronbescherming ontzegt?

Nederlandse persvrijheid in mineur


De bekendmaking vorige week van de jaarlijkse Press Freedom Index heeft tot weinig beroering geleid in Nederland. Toch was er een verontrustend feit te melden: Nederland duikelt naar een zestiende plek. Dat is opmerkelijk, want jarenlang hoorde Nederland bij de landen die de meeste persvrijheid genoten. Desondanks was Thomas Bruning, algemeen secretaris van de Nederlandse Vereniging van Journalisten niet verrast door de cijfers: “Wij hebben als NVJ zelf het materiaal aangedragen voor de RSF-index, dus in dat opzicht ben ik niet verbaasd over het wegzakken op de ranglijst.”

Nou zegt een plek op die ranglijst niet alles: een land kan dalen doordat andere landen het beter gaan doen. Je moet dan ook kijken naar het aantal punten dat een land scoort op de Press Freedom Index. Die punten kent de persorganisatie Reporters sans Frontières (RSF) toe aan elk land op basis van een hele serie criteria. Men kijkt onder meer naar het aantal journalisten dat in het betrefende land is vermoord, bedreigd, gearresteerd, verdwenen, mishandeld, etc. Deze gegevens worden verzameld door een vragenlijst te sturen naar partnerorganisaties in de diverse landen, in Nederland is dat de NVJ.

In de lijst van 2008 is te zien dat Nederland 4,0 punten krijgt, evenveel als Tjechië, Portugal en Litouwen. IJsland, Noorwegen en Luxemburg voeren de lijst aan met 1,5 punten. In 2006 en de jaren daarvoor scoorde Nederland steeds een half punt. Een stuk beter dus dan in 2008. Hoe kan dat?

Volgens Thomas Bruning doen problemen met bronbescherming Nederland de das om. “Daarbij gaat het niet alleen om de bekende gijzelingskwesties – de zaken Voskuil, Mos en De Haas, Simon Vuijk en Bas van Hout – maar ook om het afluisteren en opvragen van telefoongegevens, zoals gebeurden bij Mos en De Haas, maar ook bij Robert Bas en John van den Heuvel. De GPD-affaire en de zaak Nekschot zie ik vooralsnog als incidenten, die ook door de betreffende ministeries zijn afgekeurd. Niettemin moeten we ook die scherp in de gaten houden.”

Wat Bruning betreft moet er snel een wettelijke regeling van het verschoningsrecht komen: “Dat zou meer zijn dan een bevestiging van Europees beleid, het zou tevens een signaal zijn naar politie en justitie dat dit soort afgeleide schendingen van brongeheim ook scherp worden afgekeurd.”

Gelukkig was er vandaag goed nieuws voor de journalistiek: Journalist Alberto Stegeman, die in het televisieprogramma Undercover in Nederland toonde dat de beveiliging van Nederlandse kazernes niet deugt, wordt niet vervolgd voor het onbevoegd binnendringen van militaire bases. Dat is dan weer een mooie opsteker voor de Nederlandse persvrijheid.

Dikkere overheidsvingers in de nieuwspap

Ooit waren persberichten verklaringen die organisaties, bedrijven of overheden verstuurden om de pers ergens van op de hoogte te brengen. Journalisten gingen vervolgens met die informatie aan de slag: op onderzoek uit, de feiten controleren, extra bronnen interviewen en als sluitstuk uiteraard een bericht schrijven met hier en daar een citaat van de geïnterviewden.

Later ontdekten slimme voorlichters dat het efficiënter kon. Ze schreven niet langer officiële verklaringen, maar produceerden kant-en-klare nieuwsberichten, helemaal in de stijl van krantenberichten, compleet met citaten van de directeur of minster. Wel zo gemakkelijk voor journalisten, want dan hoefden ze geen tijd meer te verspillen aan het halen van quotes en dergelijke. Bovendien was zo de kans groter dat de voorlichters het verhaal in de krant kregen dat ze wensten.

Tegenwoordig gaan de slimme voorlichters weer een stap verder. Ze produceren nu ook video-items. En dan niet slechts ruwe opnames van bijvoorbeeld toespraken en persconferenties, maar kant-en-klare reportages, compleet met sfeerbeelden, voice-over en talking heads. De Nederlandse overheid timmert al stevig aan de weg, blijkt uit een artikel in vakblad De Journalist. Op de regeringssite zijn diverse videoreportages te vinden die redacties kunnen overnemen of versnijden tot een eigen verslag.

Uiteraard mikken de voorlichters erop dat nieuwssites de reportages geheel overnemen. Dat levert mooi wat aandacht op voor plannen en acties van de ministeries. Bovendien kunnen de ministers dan ongestoord hun zegje doen, zonder allerlei kritische vragen van journalisten.

Maar het roept wel vragen op over de steeds dikkere vinger van de overheid in de nieuwspap. Enerzijds komt de overheid met steeds meer prefab informatie, zoals de genoemde videoreportages, en aan de andere kant probeert ze de pers in te perken. Zo mochten kranten en tijdschriften van de Rijksvoorlichtingsdienst geen foto publiceren van een brildragende Maxima en ondernam premier Balkenende gerechtelijke stappen tegen een parodie van opinieblad Opinio.

In NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag constateert hoogleraar informatierecht Egbert Dommering een alarmerende toename van overheidsregie: “de nieuwsvoorziening wordt steeds meer aangestuurd door voorlichting. Symbolisch is dat de premier niet meer naar Nieuwspoort komt, maar dat de journalisten naar hem toe moeten.” Veel meer dan symbolisch is de daling van Nederland afgelopen jaar op de persvrijheidsindex van het Freedomhouse. De genoemde voorvallen zullen de positie van Nederland op de ranglijst van volgend jaar weinig goed doen.