Tag: publiek

Weinig toenadering journalisten tot publiek

Internet biedt legio mogelijkheden voor interactie. Webfora, e-mail, reaguren, twitteren, bloggen: de mogelijkheden zijn al lang niet meer op één hand te tellen. Journalisten kunnen daardoor als nooit tevoren in contact treden met hun publiek. Ze zouden zelfs kunnen samenwerken met lezers en kijkers. Die zouden hen kunnen wijzen op fouten, helpen aan tips en materiaal (foto’s, video), en noem maar op. Journalisten en publiek zouden zo gezamenlijk kunnen werken aan een betere journalistiek. Maar onlangs verschenen onderzoek wijst erop dat journalisten daar niet erg voor open staan.

Het onderzoek is uitgevoerd in een hele trits Europese landen. In totaal zijn 89 journalisten geïnterviewd van diverse media uit elf landen. Ook een aantal Nederlandse journalisten hebben meegedaan, van Trouw, de Volkskrant, NRC Handelsblad, NOS Journaal en RTL Nieuws. Het ging daarbij om mensen die ruime ervaring hadden in de journalistiek en werkzaam waren op belangrijke redactionele posities binnen de betreffende media.

Uiteraard zijn niet alle journalisten die mening toegedaan. In elk land zijn slechts enkele journalisten geïnterviewd. Maar het zijn wel journalisten in leidinggevende functies, dus daarom is het onderzoek wel veelzeggend. Want dat zijn uitgerekend de journalisten die vernieuwen kunnen doorvoeren of blokkeren.

Het zal weinig verbazing wekken dat alle journalisten vinden dat de verhouding met het publiek de afgelopen tien jaar aanmerkelijk veranderd is. Alle nieuwe technologie heeft in hun ogen inderdaad gezorgd voor meer en directer contact tussen journalisten en het publiek.

Maar welke consequenties heeft dat gehad? De journalisten zijn van mening dat de cruciale verandering is dat ze tegenwoordig een beter beeld hebben van de behoeftes en voorkeuren van het publiek. Dus kunnen ze daar beter dan ooit op inspelen.

Opmerkelijk is wel dat ze daarbij aangeven dat die verandering vooral is ingegeven door commerciële motieven: de concurrentie tussen media is fors toegenomen en het is van levensbelang om voldoende publiek te blijven te trekken, dus dan is het zaak om te weten wat de consument wil.

Vanuit journalistiek oogpunt is deze ontwikkeling een slechte zaak, menen de journalisten. Ze typeren de wensen van het publiek in termen van ‘slechte smaak’ en ‘gebrek aan interesse’. Meer rekening houden met wat het publiek wil is in hun ogen dan ook een ondermijning van de kwaliteit van de berichtgeving, want het leidt tot steeds meer ‘zacht’ nieuws.

Desondanks houden de journalisten de teugels stevig in eigen hand. Ze mogen dan wel meer rekening houden met de wensen van het publiek, uiteindelijk beslissen de journalisten over de inhoud. Een journalist van Le Monde: “De lezers vertellen ons niet wat we moeten schrijven. Ze kunnen aangeven welke onderwerpen ze van belang vinden, maar ze beslissen niet wat wij in de krant zetten.”

Hieruit spreekt een nogal afwerende houding naar het publiek. Het is blijkbaar een hele handreiking om naar het publiek te luisteren, maar veel verder dan dat moet het ook niet gaan. Enige samenwerking met lezers, kijkers en luisteraars brengen de journalisten in het onderzoek niet ter sprake. Blijkbaar zien ze niet in dat de journalistieke kwaliteit daar baat bij zou kunnen hebben. De inbreng van het publiek zien ze vooral als een bedreiging voor journalistieke kwaliteit. Het publiek is in de beleving van journalisten nog altijd het klootjesvolk met een enorme wansmaak en zucht naar sensatie.

Het genoemde onderzoek is onlangs gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Westminster Paper in Communication and Culture. Het artikel is van Monika Metykova en heet Drifting apart? European journalists and their audiences.

NU tijd voor het publiek


Nu.nl wordt nogal eens afgeschilderd als een doorgeefluik van ANP-berichten. Gek genoeg doen veel andere media – waar de kritische geluiden over Nu.nl vaak geuit worden – weinig anders. Want ook op de sites van onder de Volkskrant, Trouw en legio regionale dagbladen zie je de ANP-kopij vrijelijk binnen stromen. Het zal de kift wel zijn, want Nu.nl trekt al jarenlang de meeste bezoekers van alle Nederlandse nieuwssites.

Dat NU.nl meer is dan een simpel doorgeefluik hoor je zelden. Dat is best vreemd, want de nieuwssite is ook aardig innovatief. Zeker als het gaat om participatie van het publiek. Bijvoorbeeld met de site NUjij, een zogeheten ‘sociale nieuwssite’ waar lezers berichten kunnen aandragen en via stemming gezamenlijk bepalen welke berichten de moeite waard zijn. Voor veel journalisten is dit principe wellicht nog gruwelijker dan ANP-berichten doorsluizen, want hier wordt de selectie overgelaten aan het publiek.

Ook innovatief is het intensieve gebruik van lezersfoto’s. Inmiddels heeft Nu.nl een stabiele toevoer gecreëerd. Vaak levert dat niet meer op dan foto’s van ongelukken en branden. Plaatjes die zelfs de regionale krant niet zouden halen, maar desondanks voorzien ze in een behoefte. Het aardige is ook dat lezers via NUkaart de foto’s uit hun woonplaats bijzonder makkelijk kunnen vinden.

En bij tijd en wijle blijkt hoe nuttig zo’n stabiele toevoer aan lezersfoto’s is. Want bij nieuwsgebeurtenissen als de brand op de universiteit in Delft zijn lezers als eerste ter plaatse. En zo komen de eerste foto’s al binnen op de eerste redactie voordat de ANP-fotograaf in zijn auto heeft kunnen stappen.

Met deze initiatieven onderkent de NU-redactie het nut van lezers die niet alleen de site bezoeken, maar ook actief een bijdrage kunnen leveren aan de inhoud en kwaliteit van het nieuws. Gister was de hoofdredacteur van NU.nl, Laurens Verhagen, te gast op een seminar voor masterstudenten van de opleiding Journalistiek en Nieuwe Media in Leiden. Volgens Verhagen zijn lezers ook belangrijk om snel achter fouten in nieuwsberichten te kunnen komen.

Zo had ook NU.nl het foutieve ANP-bericht over de smokkel van drie ton coke gepubliceerd, waarover ik eerder schreef. “In een mum van tijd hadden we twee honderd lezersreacties in de mailbox”, vertelt Verhagen. “Dus dat kan je dan heel snel recht zetten. Al die reacties zijn ons heel dierbaar, dus vervolgens kan de redacteur die de fout gemaakt heeft, tweehonderd mailtjes sturen om die lezers te bedanken. Zo zorg je ervoor dat lezers de volgende keer ons ook weer waarschuwen.”

Toch merkwaardig dat een regionale krant als De Gelderlander – waarvan je verwacht dat die dicht op de lezers zit –geen tijd heeft voor het publiek, maar een vijfkoppige redactie van een nieuwssite daar wel tijd voor heeft. Mij maak je niet wijs dat ‘tijd’ de doorslaggevende reden is. Het is waarschijnlijk veel meer een kwestie van journalistieke visie: je vindt het publiek belangrijk of niet.

Geen tijd voor het publiek


Druk, druk, druk. Dus ook geen tijd voor de lezers. Dat is de reactie die ik ontving van De Gelderlander op mijn vragen over de foutieve kop boven een bericht over wielrenner Lars Boom (zie mijn bericht van zaterdag).

Het bewuste bericht was zaterdag op de website van De Gelderlander verschenen met de kop ‘Lars Boom vierde in tijdrit op WK’. Dat klopte niet, want in het bericht viel te lezen dat het ging om een vierde plek in een tamelijk onbekende etappekoers. Na onder meer een reactie van een lezer onder het bericht en mijn e-mail aan de redactie, werd de kop aangepast.

Opmerkelijk was – naar mijn idee – dat de reactie van de lezer werd verwijderd. Het leek mij logischer dat de redactie zou reageren op de lezersreactie door te melden dat het foutje was hersteld. Op die manier ga je de dialoog aan met je – opmerkzame en behulpzame – publiek. Ook op mijn e-mail kwam geen reactie. Ik had gerekend op iets als ‘bedankt, we hebben het aangepast’. Ook weer in het kader van dialoog met je publiek.

Op maandag besloot ik mijn licht op te steken bij de lezersredacteur van De Gelderlander, Huub Kerkhoffs. Even een mailtje getikt met de vragen die me bezighielden: waarom meldt de redactie niet wat er is gewijzigd aan een bericht? Waarom was de lezersreactie verwijderd in plaats van beantwoord? Waarom reageert de redactie niet op lezers die wijzen op een slordigheid of fout?

Van de lezersredacteur ontving ik geen antwoord, maar dinsdagavond kreeg ik mail van Rob Vunderink, chef multimedia van De Gelderlander. Geen specifieke antwoorden op mijn vragen, maar een simpele verklaring in enkele kernwoorden: bezetting, werkdruk en tijd. “Onze multimediaredactie doet wat ze kan en laat wat zij niet kan.” Kortom, er is geen tijd om te reageren op input van lezers.

De slordigheden die in berichten sluipen zijn vanzelfsprekend terug te voeren op dezelfde oorzaak: geen tijd. Berichten moeten in rap tempo het internet op om actueel te blijven, dus tijd voor controle van de feiten is er niet. En tijd voor interactie met lezers is er blijkbaar ook niet. Want redacties hechten meer waarde aan actualiteit en snelheid dan aan interactie, zoals ook is gebleken uit onderzoek dat ik hier eerder besprak.

In feite is het nogal kortzichtig om zo slordig om te springen met input van lezers. Juist nu er goede mogelijkheden zijn voor interactie (bijvoorbeeld via reacties onder berichten en e-mail) zouden journalisten daar gebruik van moeten maken, simpelweg omdat ze er voordeel van hebben. Lezers kunnen waarschuwen voor gemaakte fouten, geven aan welke informatie ontbreekt of waar ze meer over zouden willen weten. Door samen te werken met lezers kan berichtgeving eenvoudigweg aan kwaliteit winnen.

Dat vereist wel een omslag in denken over journalistiek. Een omslag van journalistiek als eenrichtingsverkeer naar journalistiek als dialoog. Voorlopig lijkt de journalistiek daar nog niet echt voor open te staan.

Niemand vraagt het publiek wat

“In België zijn er gek genoeg twee journalistieke codes”, onthulde Flip Voets, secretaris van de Belgische Raad voor de Journalistiek afgelopen vrijdag tijdens een symposium aan de Universiteit van Amsterdam over codes en keurmerken in de journalistiek. Klinkt gek inderdaad, maar ook in Nederland hebben we twee journalistieke codes: de leidraad van de Raad voor de Journalistiek en de code van het Genootschap van Hoofdredacteuren. De laatste is toe aan vernieuwing en daarom is een nieuwe conceptcode opgesteld waarover momenteel gedebateerd wordt. Over het algemeen zijn de reacties op deze code positief, zo viel ook tijdens het symposium te beluisteren. Met name de liberale invulling van ‘de journalist’ spreekt tot de verbeelding: Een journalist is iemand die zich journalist noemt.

Dat ‘liberale’ is essentieel voor journalisten. Uit de monden van de aanwezige journalisten viel op te tekenen dat de journalistiek niet ingeperkt moet worden met registers, verplichte codes en keurmerken. Elk medium heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en verder doet de concurrentie zijn werk: media controleren elkaar en als ze de mist in gaan wordt dat snel genoeg bekend. Een code is best nuttig, maar dan vooral om te discussieren over journalistieke verantwoordelijkheid, en niet als beklemmend wetboek waarmee de media terecht kunnen worden gewezen.

Hoewel journalisten er niet om te staan te springen, komen er desondanks regelmatig ideeën om de journalistiek te reguleren. Onder meer met het idee om de journalistiek betrouwbaarder te maken. Gek genoeg is nooit aan het publiek gevraagd hoe zij daarover denken. Wat vinden lezers, luisteraars en kijkers van journalistieke codes? Of van redactiestatuten? Willen ze weten welke journalistiek-ethische uitgangspunten een redactie hanteert? Wat vinden ze van de Raad voor de Journalistiek? Kennen ze die instantie überhaupt? Op welke manier kan volgens hun de journalistiek beter of betrouwbaarder worden? Het zou interessant zijn om dat eens te onderzoeken. Wie weet wat voor verhelderende inzichten dat oplevert.