Tag: Raad voor de Journalistiek

Richtlijnen voor gebruik van materiaal van sociale media: dat kan simpeler

Onlangs ontstond in België is een fel debat over de mediaberichtgeving over het busongeluk in Zwitserland waarbij Belgische en Nederlandse schoolkinderen omkwamen. Een van de zaken waarover menigeen zich boos maakt was de publicatie van foto’s van omgekomen kinderen op de voorpagina’s van enkele Belgische kranten. Foto’s die afkomstig waren van blogs en sociale media.

Door de kritiek voelde de Belgische Raad voor de Journalistiek zich geroepen om speciale richtlijnen in het leven te roepen. Deze zouden duidelijk moeten maken hoe journalisten om horen te gaan met informatie en beelden die zijn te vinden op persoonlijke websites en sociale media. Handig zou je zeggen, want dan kan je even snel opzoeken wat je voortaan moet doen als je een fotootje van Facebook wilt gebruiken. Read more →

Raad Journalistiek moet op zoek naar draagvlak

Op vrijdag lekt uit dat De Telegraaf niet langer zal meedoen met de Raad voor de Journalistiek. Op zaterdag vindt een Mediadebat plaats over diezelfde Raad. Dat zou dus een pittige discussie kunnen worden over de toekomst van de Raad. Maar dat werd het niet.

Read more →

RvdJ.tv

Het gezag van de Raad voor de Journalistiek is tanende. Journalisten begrijpen weinig van de afwegingen die de Raad maakt en redacties zeggen hun vertrouwen in de Raad op (o.a. Elsevier, Tros Opgelicht, Nova). Binnenkort komt het bestuur met voorstellen om de reputatie van de Raad weer wat op te vijzelen.

Read more →

De Raad reageert

Vandaag ontving ik een reactie van Daphne Koene, secretaris van de Raad voor de Journalistiek, op mijn bericht over Tros Opgelicht. Mijn vraag was of de Raad wel deugdelijke uitspraken kan doen als de beschuldigde redactie niet op de zitting verschijnt om haar visie te geven.

Koene merkt op dat de Raad eerder voor deze vraag heeft gestaan, namelijk toen RTL Nieuws, HP/De Tijd en Elsevier te kennen hadden gegeven om niet langer mee te werken aan zittingen van de Raad. De Raad heeft zich toen op het standpunt gesteld dat klachten hoe dan ook behandeld moeten worden. “Al was het maar om niet een ‘onwillige aangeklaagde’ te belonen voor diens opstelling en de klager in de kou te laten staan.”

Koene erkent dat het voor een goede beoordeling van klachten “altijd wenselijk – en soms noodzakelijk – is dat de Raad kennis neemt van de standpunten van de aangeklaagde partij.” Het kan voorkomen dat de Raad zich onthoudt van een oordeel, namelijk als “een standpunt ontbreekt of de standpunten van beide partijen elkaar tegenspreken, en de Raad geen materiaal voorhanden heeft om vast te stellen welk standpunt juist is. Zo is bijvoorbeeld geschied in de zaken RvdJ 2008/36 en 2008/39 die allebei eveneens TROS Opgelicht betreffen, en waarin de Raad zich ten dele van een oordeel heeft onthouden.”

Maar de Raad doet wél uitspraak “als de klager in staat is om voldoende materiaal over te leggen om zijn standpunt aannemelijk te maken”. Dat was volgens Koene het geval in de bewuste TROS-uitzending. De klacht hield in dat Hans Stoker geen serieuze kans had gekregen voor een weerwoord; in de uitzending is te zien dat een verslaggeefster hem op straat om een reactie vraagt. Koene: “Uit het programma en de verder ter beschikking staande gegevens was niet gebleken dat aan klagers op een andere, aanvaardbare wijze om een reactie was gevraagd.”

Dan blijft de vraag nog steeds of de Raad over voldoende gegevens beschikte om een uitspraak te doen. Het argument dat de Raad klagers niet in de kou wil laten staan is begrijpelijk, maar als dat leidt tot uitspraken die geen recht doen aan de werkelijkheid dan ondermijnt de Raad zijn eigen geloofwaardigheid.

Dat besef is blijkbaar ook tot de Raad doorgedrongen, want Koene meldt nog dat “de Raad al geruime tijd achter de schermen werkt aan plannen tot verbetering van zijn klachtenprocedure. In dat verband worden ook de mogelijkheden tot feitenonderzoek (waaronder bijvoorbeeld het horen van getuigen) nader bekeken. Naar verwachting zullen de hiervoor bedoelde plannen, die onder meer voorzien in meer bemiddeling en de mogelijkheid tot herziening, nog dit jaar hun beslag krijgen.”

Raad meet met twee maten

“De Raad voor de Journalistiek “slaat de plank volledig mis”. De Raad “functioneert inhoudelijk gebrekkig” en doet “geen serieus onderzoek naar waarheidsvinding”. Het zijn harde woorden die staan opgetekend in het persbericht dat het tv-programma TROS Opgelicht heeft verspreid.

De aanleiding is het oordeel dat de Raad voor de Journalistiek heeft geveld over de uitzending van TROS Opgelicht van 29 februari 2008. In het bewuste item uiten diverse personen allerlei beschuldigingen aan het adres van ene Hans Stoker. Aan het einde zijn beelden te zien van een TROS-reporter die Stoker confronteert met deze verwijten op het moment dat hij wil vertrekken in een auto. De verslaggeefster stelt hem vragen waar hij niet op in wil gaan en uiteindelijk rijdt hij weg. Hoe het precies ging is te zien op het filmpje op de site van het programma.

Hans Stoker dient vervolgens op 14 juni een klacht in bij de Raad voor de Journalistiek . Hij is van mening dat hem geen serieuze gelegenheid is geboden voor weerwoord. Op 22 augustus wordt de zaak behandeld. Beide partijen verschijnen niet op de zitting, zo valt op te maken uit de verslaglegging van de Raad.

De Raad oordeelt op 2 oktober dat Stoker inderdaad geen eerlijke kans heeft gehad om de beschuldigingen te pareren. Want Stoker wordt “op straat onvoorbereid gevraagd op de beschuldigingen te reageren, doordat de medewerkster van het programma zonder aankondiging op hem afstapt op het moment dat hij onderweg is naar een afspraak.” Kortom, een typisch gevalletje van ordinaire ‘overaljournalisitek’, zo meent de Raad.

Dat TROS Opgelicht niet op andere manieren heeft geprobeerd om Stoker te laten reageren op alle aantijgingen, maakt de Raad op uit de brief van Hans Stoker en de beelden van de uitzending: “uit het programma en de verder ter beschikking staande gegevens is niet gebleken dat aan klagers ook nog op een andere, aanvaardbare wijze om een reactie is gevraagd.”

En daar zit hem de kneep volgens de redactie van TROS Opgelicht. In hun persbericht staat: “Dit strookt niet met de waarheid. Redactiewerk achter de schermen heeft niet geleid tot contact met Stoker – alle contact werd door Stoker van de hand gewezen. Stoker is diverse keren in de gelegenheid gesteld om zijn reactie op een rustiger moment voor camera te geven.”

De Raad heeft die informatie niet ontvangen, want de redactie weigerde te verschijnen op de zitting na een eerdere tik op de vingers van de Raad. Dat doet de vraag rijzen of de Raad wel uitspraken kan doen als niet alle informatie beschikbaar is. Nu doet zich de curieuze situatie voor dat de Raad een redactie veroordeelt vanwege het niet toepassen van deugdelijk wederhoor, terwijl die uitspraak van de Raad ook niet is gebaseerd op wederhoor. Weliswaar omdat TROS Opgelicht ervoor koos om niet op te draven op de zitting, maar toch.

In de uitspraak die de Raad heeft gedaan valt het volgende te lezen: “De Raad stelt voorop dat de journalist bij het publiceren van beschuldigingen dient te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat.” Je kunt je afvragen of de Raad die vuistregel zelf wel toepast. Want is er in dit geval wel sprake geweest van deugdelijk onderzoek door de Raad? Als iemand niet op de zitting verschijnt is de Raad niet bekend met alle feiten. Zou de Raad dan niet op een andere manier nog moeten pogen om alle relevante informatie boven tafel te krijgen? Vermoedelijk zou de Raad dat immers ook van journalisten verwachten.

Het lijkt er op dat de Raad met twee maten meet. En dat is niet goed om geloofwaardig te kunnen opereren in de journalistiek. Want wat is zo’n uitspraak waard als hij niet is gebaseerd op alle benodigde feiten?

Uiteraard heb ik de Raad ook om weerwoord gevraagd, maar ik heb nog reactie ontvangen. Zo gauw ik iets hoor meld ik het natuurlijk.

Alarm! Krant is geen publiek domein

“De website van een krant is geen publiek domein.” Deze zin in de Volkskrant zorgde vanochtend voor een forse rimpeling in mijn voorhoofd. Ik las hem nogmaals. Het stond er echt. Verbazing, verbijstering en ongeloof buitelden over elkaar heen in mijn bovenkamer. Het tijdperk waarin de krant fungeert als podium voor publiek debat is blijkbaar ten einde. Welkom in de nieuwe tijd.

De bewuste zin verscheen in de Volkskrant na een uitspraak van de Raad voor de Journalistiek. Het gaat allemaal om een lezer die een columnist van de Volkskrant in een reactie onder een bericht op de Volkskrantsite had betiteld als ‘Israël-lobbyist’. De redactie vond dat deze aanduiding de integriteit van de columnist in twijfel trok en verwijderde om die reden de gehele lezersreactie. De betreffende lezer deed vervolgens zijn beklag bij de Raad voor de Journalistiek.

Het oordeel van de Raad luidde dat de redactie best reacties mag verwijderen, net zoals het een redactie vrij staat om een ingezonden brief niet in de krant af te drukken. Voor de selectie van lezersbrieven in de krant en lezersreacties op de website mag de redactie haar eigen regels hanteren.In de uispraak van de Raad valt te lezen: “Van een publiek domein, waar verweerder geen spelregels voor zou kunnen opstellen, is naar het oordeel van de Raad geen sprake.”

Ik heb het vermoeden dat dit de redenering is van de Raad: een krant is het privé-eigendom van een uitgever en die mag dus bepalen wat er in de krant of op de site komt. Voor het publieke domein geldt dat niet, daar is het de overheid die de regels bepaalt. Dat zou neerkomen op een strikt juridische redenering van de Raad.

Maar vanuit journalistiek oogpunt vind ik het een merkwaardige gedachte. De krant, een medium dat ooit bedacht is om zaken ‘publiek’ te maken en het maatschappelijk debat te bevorderen, zou niet tot het publieke domein behoren? Het kan er bij mij niet in dat de Raad deze visie op journalistiek zou aanhangen.

Bovendien is het teleurstellend dat de Volkskrant op deze manier omgaat met lezersreacties. Het is nogal sneu dat een onwelgevallige opmerking zonder overleg of uitleg wordt verwijderd. De typering ‘Israël-lobbyist’ kan een columnist als beledigend opvatten, maar hij zou zo’n opmerking ook kunnen aangrijpen om de dialoog aan te gaan. Jammer dat de interactie met lezers zo rücksichtslos wordt afgekapt door de Volkskrant. Een sterk staaltje oude journalistiek. Welkom in de oude tijd.

Startpunt voor discussie


Hoera! De Nederlandse journalistiek is weer een gedragscode rijker. Vrijdag 18 april stemde het Genootschap van Hoofredacteuren in met een nieuwe code. Een code die rekening houdt met de mores op internet, maar, zo benadrukt het Genootschap, op geen enkele wijze bindend is en waaraan geen sancties zijn verbonden. Wat het nut dan is? Volgens Arendo Joustra, voorzitter van het Genootschap, moet de code de aanzet geven tot discussies over journalistiek gedrag. De vraag is natuurlijk hoe, want toen het Genootschap in december de concept-code naar buiten bracht om te debateren over de inhoud, ontstond er verdomd weinig discussie. Wat niet zo verwonderlijk is, want debateren over algemene regels is een nogal abstracte bezigheid.

En was er niet al een code? Jawel, deze week precies een jaar geleden bracht de Raad voor de Jouralistiek er een uit. Deze code gebruikt de Raad als leidraad voor het beoordelen van klachten over journalistieke producties. De uiteindelijke oordelen verschijnen in De Journalist. Maar ook die leveren verdomd weinig discussie op. En dat is verdomd jammer. Want juist de uitspraken van de Raad lenen zich bij uitstek voor gerichte discussies over journalistieke gedragingen.

Laten we daarom voortaan de uitspraken van de Raad niet zien als eindoordeel, maar juist als startpunt voor discussie over journalistieke werkwijzen. Op die manier kan er een stuk meer transparantie komen over het denken en doen van journalisten.

Een sta-in-de-weg is vooralsnog het ambtelijk jargon waarin de uitspraken van de Raad zijn verwoord: dat nodigt niet uit tot lezen en evenmin tot discussie. Daarom zouden in vakpublicaties als De Journalist en De Nieuwe Reporter over interessante zaken goed geschreven journalistieke artikelen moeten verschijnen waarin de Raad aan de tand wordt gevoeld over de gemaakte afwegingen en ook andere betrokken partijen aan het woord komen. Dergelijke artikelen geven pas echt een aanzet tot discussies over journalistiek gedrag. Bovendien zou het van de Raad voor de Journalistiek ook wat meer maken dan slechts een klachtenloket.

Dit stuk is deze week als gastcolumn verschenen in De Journalist.

Onbegrip voor Raad voor de Journalistiek

“Als dertig bronnen nog niet voldoende is, hoeveel moet je er dan hebben?” “Als Uruzgan al niet van groot maatschappelijk belang is, wat dan wel?” De journalisten die maandagavond tijdens het VVOJ-café in Amsterdam aanwezig zijn, geven mopperend aan dat ze niets begrijpen van de afwegingen die de Raad voor de Journalistiek maakt.

Annelies Dijkstra en Maaike Ruepert van het Algemeen Dagblad vertellen over de reportage die ze maakten op Kreta over drinkgelagen en agressie van Nederlandse millitairen die waren teruggekeerd uit Uruzgan. Ze hadden zich niet bekend gemaakt als journalist omdat ze het vermoeden hadden dat ze anders nooit achter de misstanden zouden kunnen komen. De Raad voor de Journalistiek zag het anders: ook zonder undercover-methode had dat best gekund. En daarom oordeelde de Raad dat de journalisten journalistiek onzorgvuldig hadden gehandeld en de grens van wat journalistiek betamelijk is hadden overschreden.

Het siert voorzitter Ton Herstel en secretaris Daphne Koene van de Raad dat ze naar het VVOJ-café zijn gekomen om het debat aan te gaan, maar ze gaan niet in op dit concrete geval, omdat “het niet de bedoeling is om zaken hier over te doen” en “we geen zitting hadden tijdens die zaak”.

Het komt het onbegrip van de journalisten niet ten goede. Wat steekt is dat de Raad tot scherpe oordelen komt, maar tegelijkertijd niet helder kan aangeven waar precies de grenzen liggen. In welke situaties is undercover betamelijk en in welke niet? Uiteraard is het onmogelijk daar een scherp en duidelijk antwoord op te formuleren, maar het zou al helpen om journalisten meer inzicht te geven in de afwegingen die de Raad maakt.

Daar doet de Raad al enigszins een poging toe. Ten eerste publiceert de Raad alle uitspraken op zijn website en in het vakblad De Journalist. Helaas zijn ze in nogal ambtelijke taal verwoord en lezen ze niet erg makkelijk weg. Ten tweede heeft de Raad een leidraad gepubliceerd met richtlijnen voor correct journalistiek gedrag. Publicatie daarvan heeft helaas – net als de conceptcode van het Genootschap voor Hoofdredateuren – nauwelijks geleid tot discussie. Dat lukt blijkbaar niet echt aan de hand van abstracte, algemene formuleringen.

Het werkt wellicht beter om meer discussie te voeren over concrete gevallen. Dan kan veel gerichter gedebateerd worden over de vraag of bepaalde journalistieke gedragingen al of niet gewenst zijn. In zo’n debat zou de Raad ook zijn uitspraken kunnen toelichten, waardoor journalisten meer inzicht krijgen in de afwegingen die de Raad maakt.

Verrassend genoeg gebeurt dat nauwelijks. Op DeNieuweReporter en in De Journalist wordt zelden aandacht besteed aan uitspraken van de Raad voor de Journalist, terwijl dit uitgelezen media zijn om erover van gedachte te wisselen. Natuurlijk niet met de ambtelijke teksten van de Raad, maar met goed geschreven, journalistieke artikelen waarin klagers en journalisten hun zienswijze uiten en de afwegingen van de Raad aan de orde komen. Wellicht zullen we dan wat minder vaak een verzuchting horen als die van een van de AD-journalisten: “Ik accepteer de uitspraak van de Raad, maar ik begrijp hem niet!”

Het heet ‘zelfregulering’, maar journalisten zelf doen weinig

Minister Plasterk had in zijn uitnodigingsbrief uitdrukkelijk vermeld dat het de bedoeling was dat journalisten zelf aanwezig zouden zijn. Daarom had hij de uitnodiging ook gestuurd naar redacties van kranten, actualiteitenrubrieken en journaals. Maar wie op 7 februari tijdens de werkconferentie van het ministerie over ‘journalistiek en zelfregulering’ om zich heen keek, zag bar weinig journalisten. Wel wetenschappers en hogere machten uit de journalistieke wereld, zoals afgevaardigden van het Genootschap van Hoofdredacteuren, de Raad voor de Journalistiek en de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Het is typerend voor een debat over zelfregulering in de journalistiek. Het heet zelfregulering, maar de journalisten zelf doen weinig; de voorstellen en maatregelen worden over hun hoofden uitgestrooid.

Dat journalisten zelf weinig in te brengen hebben komt goed tot uiting in twee vormen van ‘zelfregulering’ die vanmiddag de revue passeren:

1. Er is een Raad voor de Journalistiek die mensen ter verantwoording roept die zelf menen dat ze geen journalist zijn. Dat is natuurlijk een kolderieke situatie:

Raad: U moet verschijnen voor de Raad voor de Journalistiek.
Vermeende journalist: Maar ik ben geen journalist.
Raad: Volgens ons wel.
Vermeende journalist: Vreemd.
Raad: En u moet zich verantwoorden want u hebt de journalistieke regels overtreden.
Vermeende journalist: Dat kan kloppen, want ik ben geen journalist…

2. Er is een wetenschappelijke nieuwsmonitor die de mediaberichtgeving onderzoekt zonder te luisteren naar journalisten. Dat wil zeggen, zonder ze te vragen hoe berichtgeving tot stand is gekomen en waarom dat op die manier is gegaan. Die methodiek levert weliswaar volop stof op voor het bekritiseren van de media, maar geeft weinig inzicht in de beweegredenen en werkwijzen van journalisten.

‘Zelfregulering’ is bij de twee genoemde punten wellicht het verkeerde woord. Het centrale kenmerk van zelfregulering is namelijk dat het initiatief uitgaat van de betrokkenen zelf. In dit geval de journalisten zelf. Om tot zinnige zelfregulering te komen moet je eigenlijk voldoen aan twee voorwaarden:

1. Niks van bovenaf opleggen, dat leidt alleen maar tot contraproductieve reacties, zoals ‘wij laten ons niet muilkorven’.

2. Het initiatief moet uitgaan van journalisten.

Die uitgangspunten hebben een keerzijde: het vergt een journalistiek die trots is, trots op de verantwoordelijke functie die ze vervult in de samenleving. En ook wil laten zien aan de buitenwereld dat ze haar best doet om die functie zo goed mogelijk te vervullen en daarbij bepaalde normen hanteert.

Een discussie over de maatschappelijke functie van de journalistiek en de normen die horen bij een goede uitoefening van die functie zou vooral door journalisten moeten worden gevoerd, en niet door wetenschappers, adviesorganen en hotemetoten. Hoewel die best eens een goede aanzet of aanvulling kunnen geven in zo’n discussie.

Inmiddels is een poging tot zo’n discussie geïnitieerd door Henk Blanken en Bart Brouwers met een conceptcode die ze voor het Genootschap van Hoofdredacteuren hebben opgesteld. Helaas is er tot heden geen inhoudelijk discussie tussen journalisten over de inhoud van die code ontstaan. Wellicht doordat veel journalisten het nut van zo’n code ontgaat. Ik denk dat zo’n code kan bijdragen aan de herkenbaarheid van goede journalistiek. Er wordt tegenwoordig veel gepubliceerd, maar wat komt uit handen van betrouwbare journalisten? Journalisten die de feiten controleren, zich verdiepen in een kwestie, wederhoor toepassen, etc. Kortom, journalisten die journalistieke normen hanteren. Een code waarin die normen zijn terug te vinden kan daaraan bijdragen.

Maar een code alleen is niet genoeg. Die verdwijnt al te gauw weer in een stoffige dossierkast of in een verloren hoekje van het miljoenhoekige wereldwijde web. Trotse journalisten die willen zorgen voor betrouwbare journalistiek zouden dat moeten laten zien aan de buitenwacht. Op een of andere manier zouden mensen moeten kunnen zien dat een publicatie van een journalist komt en niet van een of andere knakker die geen journalistieke aspiraties koestert. Zijn er wellicht journalisten met een goed idee?

Op 9 februari ook verschenen op De Nieuwe Reporter

Niemand vraagt het publiek wat

“In België zijn er gek genoeg twee journalistieke codes”, onthulde Flip Voets, secretaris van de Belgische Raad voor de Journalistiek afgelopen vrijdag tijdens een symposium aan de Universiteit van Amsterdam over codes en keurmerken in de journalistiek. Klinkt gek inderdaad, maar ook in Nederland hebben we twee journalistieke codes: de leidraad van de Raad voor de Journalistiek en de code van het Genootschap van Hoofdredacteuren. De laatste is toe aan vernieuwing en daarom is een nieuwe conceptcode opgesteld waarover momenteel gedebateerd wordt. Over het algemeen zijn de reacties op deze code positief, zo viel ook tijdens het symposium te beluisteren. Met name de liberale invulling van ‘de journalist’ spreekt tot de verbeelding: Een journalist is iemand die zich journalist noemt.

Dat ‘liberale’ is essentieel voor journalisten. Uit de monden van de aanwezige journalisten viel op te tekenen dat de journalistiek niet ingeperkt moet worden met registers, verplichte codes en keurmerken. Elk medium heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en verder doet de concurrentie zijn werk: media controleren elkaar en als ze de mist in gaan wordt dat snel genoeg bekend. Een code is best nuttig, maar dan vooral om te discussieren over journalistieke verantwoordelijkheid, en niet als beklemmend wetboek waarmee de media terecht kunnen worden gewezen.

Hoewel journalisten er niet om te staan te springen, komen er desondanks regelmatig ideeën om de journalistiek te reguleren. Onder meer met het idee om de journalistiek betrouwbaarder te maken. Gek genoeg is nooit aan het publiek gevraagd hoe zij daarover denken. Wat vinden lezers, luisteraars en kijkers van journalistieke codes? Of van redactiestatuten? Willen ze weten welke journalistiek-ethische uitgangspunten een redactie hanteert? Wat vinden ze van de Raad voor de Journalistiek? Kennen ze die instantie überhaupt? Op welke manier kan volgens hun de journalistiek beter of betrouwbaarder worden? Het zou interessant zijn om dat eens te onderzoeken. Wie weet wat voor verhelderende inzichten dat oplevert.