Tag: zelfregulering

Overzicht van manieren waarop redacties zich verantwoorden

Het is de afgelopen jaren steeds normaler geworden voor redacties: verantwoording afleggen aan je publiek. Om enkele voorbeelden te noemen: de Volkskrant deed onderzoek naar de eigen ‘martelprimeur’, de NRC-hoofdredacteur beantwoordt wekelijks vragen van lezers, redacties melden correcties een aanvullingen in een rubriekje, en legio ombudslieden behandelen kritiek van klagers. Studenten van de Fontys Hogeschool Journalistiek hebben nu op een rij gezet welke manieren van ‘mediaverantwoording’ zijn te vinden bij welke media. Hun bevindingen zijn te vinden op de site Mediaverantwoording.nl. Read more →

“Kranten zijn geen potten pindakaas”

Sjuul Paradijs, hoofdredacteur De Telegraaf

“Ik ben niet van de dode bomen. Ik ben tegen de goeroes die zeggen dat we allemaal dood gaan. Mij hoor niet zeggen dat de kranten doodgaan of juist niet. Dat is allemaal speculatie.”Vanavond sprak Sjuul Paradijs, hoofdredacteur van De Telegraaf, aan de Universiteit Leiden over de media. Hij vuurde met veel bravoure enkele giftige pijlen af. Gericht op de overheid, uitgevers en journalisten. Read more →

Raad Journalistiek moet op zoek naar draagvlak

Op vrijdag lekt uit dat De Telegraaf niet langer zal meedoen met de Raad voor de Journalistiek. Op zaterdag vindt een Mediadebat plaats over diezelfde Raad. Dat zou dus een pittige discussie kunnen worden over de toekomst van de Raad. Maar dat werd het niet.

Read more →

NOS komt met herstelrubriek


Het NOS Journaal werkt aan een een hersterubriek op internet om fouten recht te zetten en aanvullingen te geven. Dat laat Tim Overdiek, adjunct hoofdredacteur van de nieuwsrubriek, me weten na vragen over het foutieve item over de geboortegolf in de Bommelerwaard.

Read more →

RvdJ.tv

Het gezag van de Raad voor de Journalistiek is tanende. Journalisten begrijpen weinig van de afwegingen die de Raad maakt en redacties zeggen hun vertrouwen in de Raad op (o.a. Elsevier, Tros Opgelicht, Nova). Binnenkort komt het bestuur met voorstellen om de reputatie van de Raad weer wat op te vijzelen.

Read more →

De Raad reageert

Vandaag ontving ik een reactie van Daphne Koene, secretaris van de Raad voor de Journalistiek, op mijn bericht over Tros Opgelicht. Mijn vraag was of de Raad wel deugdelijke uitspraken kan doen als de beschuldigde redactie niet op de zitting verschijnt om haar visie te geven.

Koene merkt op dat de Raad eerder voor deze vraag heeft gestaan, namelijk toen RTL Nieuws, HP/De Tijd en Elsevier te kennen hadden gegeven om niet langer mee te werken aan zittingen van de Raad. De Raad heeft zich toen op het standpunt gesteld dat klachten hoe dan ook behandeld moeten worden. “Al was het maar om niet een ‘onwillige aangeklaagde’ te belonen voor diens opstelling en de klager in de kou te laten staan.”

Koene erkent dat het voor een goede beoordeling van klachten “altijd wenselijk – en soms noodzakelijk – is dat de Raad kennis neemt van de standpunten van de aangeklaagde partij.” Het kan voorkomen dat de Raad zich onthoudt van een oordeel, namelijk als “een standpunt ontbreekt of de standpunten van beide partijen elkaar tegenspreken, en de Raad geen materiaal voorhanden heeft om vast te stellen welk standpunt juist is. Zo is bijvoorbeeld geschied in de zaken RvdJ 2008/36 en 2008/39 die allebei eveneens TROS Opgelicht betreffen, en waarin de Raad zich ten dele van een oordeel heeft onthouden.”

Maar de Raad doet wél uitspraak “als de klager in staat is om voldoende materiaal over te leggen om zijn standpunt aannemelijk te maken”. Dat was volgens Koene het geval in de bewuste TROS-uitzending. De klacht hield in dat Hans Stoker geen serieuze kans had gekregen voor een weerwoord; in de uitzending is te zien dat een verslaggeefster hem op straat om een reactie vraagt. Koene: “Uit het programma en de verder ter beschikking staande gegevens was niet gebleken dat aan klagers op een andere, aanvaardbare wijze om een reactie was gevraagd.”

Dan blijft de vraag nog steeds of de Raad over voldoende gegevens beschikte om een uitspraak te doen. Het argument dat de Raad klagers niet in de kou wil laten staan is begrijpelijk, maar als dat leidt tot uitspraken die geen recht doen aan de werkelijkheid dan ondermijnt de Raad zijn eigen geloofwaardigheid.

Dat besef is blijkbaar ook tot de Raad doorgedrongen, want Koene meldt nog dat “de Raad al geruime tijd achter de schermen werkt aan plannen tot verbetering van zijn klachtenprocedure. In dat verband worden ook de mogelijkheden tot feitenonderzoek (waaronder bijvoorbeeld het horen van getuigen) nader bekeken. Naar verwachting zullen de hiervoor bedoelde plannen, die onder meer voorzien in meer bemiddeling en de mogelijkheid tot herziening, nog dit jaar hun beslag krijgen.”

Het heet ‘zelfregulering’, maar journalisten zelf doen weinig

Minister Plasterk had in zijn uitnodigingsbrief uitdrukkelijk vermeld dat het de bedoeling was dat journalisten zelf aanwezig zouden zijn. Daarom had hij de uitnodiging ook gestuurd naar redacties van kranten, actualiteitenrubrieken en journaals. Maar wie op 7 februari tijdens de werkconferentie van het ministerie over ‘journalistiek en zelfregulering’ om zich heen keek, zag bar weinig journalisten. Wel wetenschappers en hogere machten uit de journalistieke wereld, zoals afgevaardigden van het Genootschap van Hoofdredacteuren, de Raad voor de Journalistiek en de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Het is typerend voor een debat over zelfregulering in de journalistiek. Het heet zelfregulering, maar de journalisten zelf doen weinig; de voorstellen en maatregelen worden over hun hoofden uitgestrooid.

Dat journalisten zelf weinig in te brengen hebben komt goed tot uiting in twee vormen van ‘zelfregulering’ die vanmiddag de revue passeren:

1. Er is een Raad voor de Journalistiek die mensen ter verantwoording roept die zelf menen dat ze geen journalist zijn. Dat is natuurlijk een kolderieke situatie:

Raad: U moet verschijnen voor de Raad voor de Journalistiek.
Vermeende journalist: Maar ik ben geen journalist.
Raad: Volgens ons wel.
Vermeende journalist: Vreemd.
Raad: En u moet zich verantwoorden want u hebt de journalistieke regels overtreden.
Vermeende journalist: Dat kan kloppen, want ik ben geen journalist…

2. Er is een wetenschappelijke nieuwsmonitor die de mediaberichtgeving onderzoekt zonder te luisteren naar journalisten. Dat wil zeggen, zonder ze te vragen hoe berichtgeving tot stand is gekomen en waarom dat op die manier is gegaan. Die methodiek levert weliswaar volop stof op voor het bekritiseren van de media, maar geeft weinig inzicht in de beweegredenen en werkwijzen van journalisten.

‘Zelfregulering’ is bij de twee genoemde punten wellicht het verkeerde woord. Het centrale kenmerk van zelfregulering is namelijk dat het initiatief uitgaat van de betrokkenen zelf. In dit geval de journalisten zelf. Om tot zinnige zelfregulering te komen moet je eigenlijk voldoen aan twee voorwaarden:

1. Niks van bovenaf opleggen, dat leidt alleen maar tot contraproductieve reacties, zoals ‘wij laten ons niet muilkorven’.

2. Het initiatief moet uitgaan van journalisten.

Die uitgangspunten hebben een keerzijde: het vergt een journalistiek die trots is, trots op de verantwoordelijke functie die ze vervult in de samenleving. En ook wil laten zien aan de buitenwereld dat ze haar best doet om die functie zo goed mogelijk te vervullen en daarbij bepaalde normen hanteert.

Een discussie over de maatschappelijke functie van de journalistiek en de normen die horen bij een goede uitoefening van die functie zou vooral door journalisten moeten worden gevoerd, en niet door wetenschappers, adviesorganen en hotemetoten. Hoewel die best eens een goede aanzet of aanvulling kunnen geven in zo’n discussie.

Inmiddels is een poging tot zo’n discussie geïnitieerd door Henk Blanken en Bart Brouwers met een conceptcode die ze voor het Genootschap van Hoofdredacteuren hebben opgesteld. Helaas is er tot heden geen inhoudelijk discussie tussen journalisten over de inhoud van die code ontstaan. Wellicht doordat veel journalisten het nut van zo’n code ontgaat. Ik denk dat zo’n code kan bijdragen aan de herkenbaarheid van goede journalistiek. Er wordt tegenwoordig veel gepubliceerd, maar wat komt uit handen van betrouwbare journalisten? Journalisten die de feiten controleren, zich verdiepen in een kwestie, wederhoor toepassen, etc. Kortom, journalisten die journalistieke normen hanteren. Een code waarin die normen zijn terug te vinden kan daaraan bijdragen.

Maar een code alleen is niet genoeg. Die verdwijnt al te gauw weer in een stoffige dossierkast of in een verloren hoekje van het miljoenhoekige wereldwijde web. Trotse journalisten die willen zorgen voor betrouwbare journalistiek zouden dat moeten laten zien aan de buitenwacht. Op een of andere manier zouden mensen moeten kunnen zien dat een publicatie van een journalist komt en niet van een of andere knakker die geen journalistieke aspiraties koestert. Zijn er wellicht journalisten met een goed idee?

Op 9 februari ook verschenen op De Nieuwe Reporter

Niemand vraagt het publiek wat

“In België zijn er gek genoeg twee journalistieke codes”, onthulde Flip Voets, secretaris van de Belgische Raad voor de Journalistiek afgelopen vrijdag tijdens een symposium aan de Universiteit van Amsterdam over codes en keurmerken in de journalistiek. Klinkt gek inderdaad, maar ook in Nederland hebben we twee journalistieke codes: de leidraad van de Raad voor de Journalistiek en de code van het Genootschap van Hoofdredacteuren. De laatste is toe aan vernieuwing en daarom is een nieuwe conceptcode opgesteld waarover momenteel gedebateerd wordt. Over het algemeen zijn de reacties op deze code positief, zo viel ook tijdens het symposium te beluisteren. Met name de liberale invulling van ‘de journalist’ spreekt tot de verbeelding: Een journalist is iemand die zich journalist noemt.

Dat ‘liberale’ is essentieel voor journalisten. Uit de monden van de aanwezige journalisten viel op te tekenen dat de journalistiek niet ingeperkt moet worden met registers, verplichte codes en keurmerken. Elk medium heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en verder doet de concurrentie zijn werk: media controleren elkaar en als ze de mist in gaan wordt dat snel genoeg bekend. Een code is best nuttig, maar dan vooral om te discussieren over journalistieke verantwoordelijkheid, en niet als beklemmend wetboek waarmee de media terecht kunnen worden gewezen.

Hoewel journalisten er niet om te staan te springen, komen er desondanks regelmatig ideeën om de journalistiek te reguleren. Onder meer met het idee om de journalistiek betrouwbaarder te maken. Gek genoeg is nooit aan het publiek gevraagd hoe zij daarover denken. Wat vinden lezers, luisteraars en kijkers van journalistieke codes? Of van redactiestatuten? Willen ze weten welke journalistiek-ethische uitgangspunten een redactie hanteert? Wat vinden ze van de Raad voor de Journalistiek? Kennen ze die instantie überhaupt? Op welke manier kan volgens hun de journalistiek beter of betrouwbaarder worden? Het zou interessant zijn om dat eens te onderzoeken. Wie weet wat voor verhelderende inzichten dat oplevert.